RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/9258
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.Y.H. Amouri),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 23 april 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak.
Overwegingen
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt griffierecht geheven op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb.
2. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt het beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Bij de indiening van zijn beroepschrift heeft eiseres verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank eiseres op 28 april 2025 verzocht om haar gegevens binnen twee weken over te leggen. Op 3 juni 2025 is het verzoek om vrijstelling van het griffierecht voorlopig afgewezen, aangezien eiseres niet (op tijd) aan het verzoek om gegevens over te leggen heeft voldaan. Er is daarom alsnog griffierecht geheven.
4. Bij brief van 6 juni 2025 is verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de datum van de brief het griffierecht te betalen. Hierop is niet gereageerd. Verzoeker is bij aangetekende brief van 7 juli 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de datum van de brief het griffierecht te betalen. In de brief is ook vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het griffierecht niet binnen deze termijn wordt betaald.
5. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Eiseres heeft ook geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.