RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/9260
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.Y.H. Amouri),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 19 maart 2025 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
2. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. Bij aangetekende brief van 1 juni 2022 is verzoekster in de gelegenheid gesteld het beroep op betalingsonmacht binnen twee weken te onderbouwen. Hier is geen gehoor aan gegeven. Er is daarom alsnog griffierecht geheven.
3. Bij aangetekende brief van 6 juni 2025 is verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de datum van de brief het griffierecht te betalen. In de brief is ook vermeld dat als het griffierecht niet binnen deze termijn wordt betaald het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het griffierecht niet heeft betaald. Verzoekster heeft ook geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging van dit verzuim gebleken.
5. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.