Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 29 juli 2022 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sazoglu in Den Haag, voorheen mr. J.M. Bekooij in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma in Zoetermeer, voorheen mr. H. Devkinandan in Leiden en meer voorheen mr. H. van der Heide-Boertien in Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van 9 maart 2023 van deze rechtbank:
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 6 oktober 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Op deze zitting is zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (zaak- en rekestnummer C/09/690113 / JE RK 25-1446) gecombineerd behandeld. Op het verzoek tot ondertoezichtstelling is mondeling beslist.
Op de zitting zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat,
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist. Aan de rechtbank ligt nu nog voor het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Het traject ouderschapsbemiddeling is in mei 2024 gestart bij Jeugdformaat en er hebben meerdere gesprekken met de ouders en [de minderjarige 1] plaatsgevonden. Uit de gesprekken met [de minderjarige 1] zijn zorgen voortgekomen van mishandeling door de moeder en hoog oplopende spanningen tussen de ouders, waardoor een melding bij Veilig Thuis is gedaan. In het traject is het de ouders niet gelukt om afspraken te maken over de zorgregeling. Ook is het vertrouwen en de communicatie tussen de ouders niet verbeterd. Nadat het traject zonder positief resultaat is afgesloten, heeft de Raad besloten om onderzoek te doen naar welke zorgregeling in het belang van de kinderen wordt geacht. Vanwege de zorgen over de kinderen is het onderzoek van de Raad uitgebreid naar een beschermingsonderzoek, wat ertoe heeft geleid dat de kinderrechter van deze rechtbank op 6 oktober 2025 de kinderen onder toezicht heeft gesteld van de gecertificeerde instelling voor de duur van één jaar. Met betrekking tot de zorgregeling adviseert de Raad een gelijke zorgverdeling (50/50), wat ook Jeugdformaat in het belang van de kinderen acht. Bij Jeugdformaat hebben de ouders afgesproken om in de zomer uitvoering te geven aan een week op week af regeling. Deze regeling is de ouders en de kinderen goed bevallen, waardoor de ouders hebben afgesproken om deze regeling ook na de zomer voort te zetten.
De rechtbank zal, nu de ouders het daarover eens zijn en de rechtbank dit ook in het belang van de kinderen acht, de zorgregeling vaststellen zoals de ouders daar nu uitoefening aan geven. Dat betekent een week op week af regeling met het wisselmoment op vrijdag uit school.
Met betrekking tot de vakanties en feestdagen is het de ouders niet gelukt om volledige overeenstemming te bereiken. Zij zijn het er alleen over eens dat de verjaardagen van de kinderen in de oneven jaren bij de moeder worden gevierd en in de even jaren bij de vader, zodat de rechtbank dit zal vaststellen. Voor de zomervakanties zal de rechtbank beslissen dat de kinderen maximaal twee weken achter elkaar bij de ene dan wel de andere ouder verblijven in een schema 1-2-2-1, waarvan de eerste week aansluit bij de reguliere zorgregeling. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de kinderen nog jong zijn en het daarom prettig voor is als de tijd waarin zijn de andere ouder niet zien beperkt is. Een verdeling van de zomervakantie bij helfte, waarbij de kinderen drie weken aaneengesloten bij elke ouder zijn, acht de rechtbank daarom nu nog niet in hun belang. De rechtbank is van oordeel dat er in twee weken tijd voldoende ruimte is voor een vakantie met de kinderen. Op de zitting is met de ouders gesproken over de mogelijkheid van videobellen met de andere ouder tijdens de zomervakantie. Naar het oordeel van de rechtbank is er daar op dit moment onvoldoende basis voor in de communicatie en het vertrouwen tussen de ouders. Als blijkt dat de kinderen hier behoefte aan hebben kunnen de ouders hierover overleggen met de jeugdbeschermer.
Ten aanzien van de overige vakanties en feestdagen overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de verstoorde communicatie tussen de ouders en om ruis daarin te voorkomen acht de rechtbank het van belang dat er duidelijke afspraken over de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn. Op de zitting is duidelijk geworden dat Kerst en oud en nieuw voor de moeder belangrijke feestdagen zijn. De rechtbank begrijpt de wens van de vader om zo min mogelijk wisselingen te hebben voor de kinderen, maar acht het ook in het belang van de kinderen dat zij deze feestdagen met beide ouders kunnen vieren. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de kinderen op eerste kerstdag bij de ene ouder zijn en op tweede kerstdag bij de andere ouder, wat jaarlijks zal wisselen. Oud en nieuw zullen de kinderen dit jaar bij de moeder vieren en volgend jaar bij de vader. Verder zal de rechtbank vaststellen dat de kinderen op Vaderdag en Moederdag bij de betreffende ouder zijn. Tijdens de overige vakanties en feestdagen zal de reguliere zorgregeling doorlopen.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat de minderjarigen:
om de week bij de vader en de moeder zijn, waarbij zij in de even weken op vrijdag uit school naar de moeder gaan en in de oneven weken op vrijdag uit school naar de vader gaan;
stelt in afwijking van voormelde zorgregeling de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.