ECLI:NL:RBDHA:2025:24909

ECLI:NL:RBDHA:2025:24909, Rechtbank Den Haag, 24-10-2025, C/09/669022 / FA RK 24-4819

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer C/09/669022 / FA RK 24-4819
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie. Overeenstemming over verdeling en huurrecht aan vrouw. Vordering borgsom is nog niet opeisbaar.

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 3 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T. Kocabas in Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

volgens de Basisregistratie Personen wonende op een voor de rechtbank onbekend adres in [land] , feitelijk wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci in Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

12 februari 2025;

Op 26 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en tolk H.P. Vuijk, de man met zijn advocaat en tolk A. Polak, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – na wijziging – om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de man zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar nog verblijft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid

Door beide ouders is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide ouders niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de ouders niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen toch ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Zorgregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek voor vaststelling van een zorgregeling voor de kinderen.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan heeft de man de echtelijke woning verlaten. Hij heeft enige tijd in [land] verbleven. Inmiddels wordt hij door het uitzendbureau waarbij hij werkzaam is gehuisvest in [plaats 1] . Er is in ieder geval twee maanden lang geen fysiek contact geweest tussen de man en de kinderen.

Op de zitting zijn de vrouw en de man een voorlopige zorgregeling overeengekomen waarbij de man de kinderen één keer per twee weken ziet op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur. De man zal de kinderen in de voormalige echtelijke woning zien, in beginsel in het bijzijn van de vrouw.

Op het moment dat beide partijen daar achter staan zal de vrouw de man in de woning alleen laten met de kinderen. De vrouw heeft op de zitting toegezegd daarvoor open te staan als zij heeft gezien hoe de man voor de kinderen zorgt en dat het contact veilig is. Daarnaast heeft de vrouw ook toegezegd open te staan voor extra contactmomenten, als de man dat waar kan maken. Verder zijn partijen op de zitting overeengekomen, op advies van de Raad, dat er twee keer per week videobelcontact zal zijn tussen de man en de kinderen, op maandag en woensdag om 17.30 uur. De rechtbank zal deze zorgregeling vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. Daarnaast zal de rechtbank vaststellen dat de omgang tussen de man en de kinderen met ingang van 1 december 2025 iedere week op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur plaatsvindt. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij het in het belang van de kinderen acht dat zij meer contact met de vader hebben dan zes uur per twee weken, maar de rechtbank begrijpt ook dat de kinderen hieraan moeten wennen nu zij de man in ieder geval twee maanden niet hebben gezien. De rechtbank gaat ervan uit dat de kinderen hier in de tussenliggende periode voldoende aan kunnen wennen.

De man heeft aangegeven dat hij op zoek is naar een woning in de omgeving [plaats 3] en dat hij in dat geval de kinderen graag meer zou willen zien. De rechtbank overweegt dat het op dit moment onzeker is op welke termijn de man een eigen woning heeft en in welke plaats die woning zal staan. Daarbij komt dat ook het vertrouwen tussen partijen moet worden opgebouwd. De rechtbank wil daarom niet vooruit lopen op welke zorgregeling in die situatie passend zou zijn.

Met betrekking tot de vakanties en feestdagen zal de rechtbank, conform de tussen partijen bereikte overeenstemming op de zitting, vaststellen dat vanaf 2026 de kinderen twee weken in de zomervakantie bij de man zijn en één week met Kerst, welke week jaarlijks zal wisselen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu partijen en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.

Ingangsdatum

De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding hanteren, te weten 3 juli 2024. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een te betalen bedrag aan kinderalimentatie en dat niet in geschil is dat de man de eerder tussen partijen afgesproken kinderalimentatie van € 300,- per maand per kind vanaf 1 juni 2024 niet consistent en volledig heeft betaald.

Behoefte

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.

De ouders zijn begin 2024 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van de periode 2024-I.

Aan de zijde van de man gaat de rechtbank uit van de inkomensgegevens uit 2023, nu de man ondernemer is en er van de jaren daarvoor geen volledige gegevens beschikbaar zijn of zijn overgelegd. In deze situatie acht de rechtbank het niet onredelijk om uit te gaan van de winst uit onderneming van € 25.797,- per jaar zoals volgt uit de aangifte inkomstenbelasting van 2023. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van man ten tijde van het uiteengaan partijen op € 2.065,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 14.648,- per jaar, zoals volgt uit de aangifte inkomstenbelasting van 2023. Volgens de vrouw bestaat dit bedrag uit zowel loon als uit een uitkering op grond van de Ziektewet. Aangezien de vrouw niet heeft gesteld welk deel van dat inkomen uit een uitkering bestaat en dat ook niet met stukken heeft onderbouwd, zal de rechtbank bij gebrek aan gegevens uitgaan van een inkomen uit loon van € 14.648,- per jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat de vrouw ook in haar eigen berekening daarvan uit is gegaan. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 1.221,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan (€ 2.065,- + € 1.221,- =) € 3.286,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport dient bij het NBGI te worden opgeteld het kindgebonden budget waar partijen ten tijde van de samenleving recht op hadden. Op basis van hun NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 406,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. De rechtbank berekent daarom het NBGI op € 3.692,- per maand (€ 2.065,- +

€ 1.221,- + € 406,-).

Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 uit het rapport € 842,- per maand, te weten € 421,- per maand per kind.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen dient conform de aanbevelingen uit het rapport 2024 in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule

70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.270)].

Aangezien er geen inkomensgegevens van de vrouw uit 2024 zijn overgelegd, zal de rechtbank in redelijkheid voor beide partijen rekenen met de inkomensgegevens uit 2025.

Draagkracht man

Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 538,- per week, zoals blijkt uit de loonspecificaties van juni tot en met augustus 2025. Op basis van deze loonspecificaties gaat de rechtbank ook uit van gemiddeld € 27,- per week aan overwerk, een gemiddelde pensioenpremie van € 14,- per week en een gemiddelde aanvullende premie AVZ van € 3,- per week. Rekening houdend met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.309,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 242,- per maand, te weten

70% x [2.309 - (0,3 x 2.309 + 1.270)].

De vrouw stelt dat er bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten, aangezien de man op dit moment wordt gehuisvest door zijn uitzendbureau en hij daardoor lage woonlasten heeft. De man betwist dit en geeft aan dat hij maandelijks € 600,- à € 650,- betaalt aan woonlasten. De rechtbank ziet in dit geval – ondanks dat hierna zal blijken dat er een tekort aan draagkracht is – geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget, aangezien de man op zoek is naar een woonruimte in de buurt van de kinderen en ook in staat moet zijn om een eigen woonruimte te betrekken.

Draagkracht vrouw

De vrouw en de man zijn het erover eens dat bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit wordt gegaan van een gemiddeld inkomen van € 386,- per week, op basis van de loonspecificaties van mei tot en met augustus 2025. Rekening houdend met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.502,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 337,- per maand, te weten

70% x [2.502 - (0,3 x 2.502 + 1.270)].

Zorgkorting

Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen zorgregeling ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 42,- per maand (5% van € 842,-).

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt

(€ 242,- + € 337,- =) € 579,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van de kinderen van € 842,- per maand. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 263,- per maand. Nu het tekort aan draagkracht meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man aanspraak op kan maken, kan de man – conform de aanbevelingen uit het rapport – de zorgkorting niet verzilveren. Dit leidt ertoe dat de volledige draagkracht van de man moet worden aangewend voor de kinderalimentatie.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met ingang van 3 juli 2024 vaststellen dat de man een bedrag van € 242,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen, te weten € 121,- per maand per kind. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2025 tot een bedrag van € 258,- per maand, te weten € 129,- per maand per kind. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen.

Aangezien de huwelijksdatum van partijen na 29 januari 2019 ligt, namelijk op [datum] 2019, is op het huwelijksvermogensregime de Huwelijksvermogensrechtverordening (HuwvermVo) van toepassing. Op grond van artikel 22 HuwvermVo prevaleert een rechtskeuze van voor of tijdens het huwelijk. Het is niet gesteld of gebleken dat partijen een keuze hebben gemaakt ten aanzien van het toepasselijk recht. Op grond van artikel 26 lid 1 onder a HuwvermVo is bij gebreke van een rechtskeuze het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk van toepassing. De vrouw en de man hadden na hun huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogen.

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.

De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 3 juli 2024. Voor de waardering geldt – voor zover de vrouw en de man niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.

Omvang

Volgens partijen behoren de volgende zaken tot de huwelijksgemeenschap:

Ad. a) de inboedel

De vrouw en de man zijn het erover eens dat de inboedel aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Ad. b) de saldi op de bankrekeningen

De vrouw en de man zijn het erover eens dat ieder de bankrekening op hun eigen naam voortzet zonder nadere verrekening van de saldi. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Gebleken is dat het saldo van de zakelijke bankrekening van de man al is verdeeld, zodat de rechtbank daar geen beslissing meer over hoeft te nemen.

Ad. c) de auto

De vrouw en de man zijn op de zitting overeengekomen dat de auto van het merk Citroën C3 met kenteken [kenteken] voor een waarde van € 1.000,- aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting van de vrouw om de helft van dit bedrag aan de man te betalen. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Ad. d) schulden

De rechtbank overweegt allereerst dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. Voorop staat bovendien dat het niet mogelijk is door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikelen 1:102 BW neergelegde aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers. In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daarover anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW). Als één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW).

Gebleken is dat partijen een tweetal schulden hebben bij de ING en Santander. De vrouw en de man zijn het erover eens dat zij allebei voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen. Voor zover één van partijen meer dan de helft van de schulden al heeft voldaan, heeft die partij een regresrecht.

Huurrecht

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De echtelijke woning van de vrouw en de man ligt in Nederland. Gelet op artikel 4 lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van de woning.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw en de man zijn het erover eens dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw toekomt. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Tussen partijen is nog in geschil of de vrouw een deel van de borgsom voor de huurwoning aan de man moet betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering van de man op dit moment niet opeisbaar. De vrouw beschikt niet over het bedrag dat als borgsom is betaald. Het betreft een vordering die op een later moment, wanneer de vrouw de huurwoning verlaat, opeisbaar wordt. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de man afwijzen.

Proceskosten

Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2019 in [plaats 2] , [land] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

omgang met de man zullen hebben:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 juli 2024 een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 121,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2025 € 129,- per maand per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

€ 500,-, aan de man te betalen;

- beide partijen zijn voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden bij de ING en Santander;

*

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 3] ;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G. Meeder

Griffier

  • mr. P.M.A. van Oosten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?