Alimentatie
Beschikking op het op 10 augustus 2023 ingekomen hierna te noemen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij in Delft .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Braun in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 26 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- In het convenant zijn partijen – voor zover hier belang – het volgende overeengekomen:
“Artikel 1 – Partneralimentatie
De man zal gedurende vijf jaar met ingang van 01-11-2022 maandelijks bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand in haar aan de vrouw een bedrag ad € 850,- bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud voldoen.
Dit bedrag is in onderling tussen vrouw en man afgestemd en de bedrag is gebaseerd op het bruto jaarinkomen van de man per 1 januari 2021 ad € 65.968,- per jaar, inclusief vakantietoeslag en bonussen.
Ook als de vrouw een inkomen krijgt uit werk blijft de man gedurende vijf jaar het volledige maandelijkse alimentatiebedrag ad € 850,- als bijdrage voldoen en blijft dit alimentatiebedrag gedurende vijf jaar een vast bedrag (geen korting of indexatie gedurende deze vijf jaar).
Uitzondering:
Partneralimentatie gaat door tot de man aantoont geen draagkracht heeft om alimentatie ten behoeve van de vrouw te voldoen.
Vrouw gaan met iemand anders samenwonen.
Gedurende deze periode is de man niet alimentatieplichtig.”
- In het ouderschapsplan zijn partijen – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:
“Artikel 6. Kinderalimentatie
Kosten van het kind
De kosten van het kind ( [de jong-meerderjarige] ) zijn door de ouders in onderling overleg de begroot op is € 500,-- per maand. Deze volledige kosten worden door de man voldaan want de vrouw heeft geen vast inkomen.
Kinderalimentatie
De man hoeft geen kinderalimentatie aan vrouw te geven want de volledige kosten worden door de man voldaan.
De vrouw hoeft geen kinderalimentatie aan man te geven omdat de vrouw heeft geen vast inkomen.
Alimentatie jongmeerderjarige
Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt,
Alle kosten van het kind worden door de man voldaan.”
- Bij vonnis van 10 juli 2024 van team Handel van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – het onderstaande overwogen, bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juli 2024 en is iedere verdere beslissing aangehouden:
“[de vrouw] heeft ten slotte aanspraak gemaakt op partneralimentatie. Dit verzoek had moeten worden ingeleid bij verzoekschrift, en niet bij dagvaarding. De door [de vrouw] gestelde samenhang tussen de vorderingen maakt niet dat de rechtbank alsnog bevoegd is. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet over de vordering met betrekking tot de partneralimentatie kan beslissen. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie verwijzen naar de rechtbank, Team Familie. Nu er in deze procedure mogelijk getuigen zullen worden gehoord, kan een eindvonnis nog geruime tijd op zich laten wachten. [de vrouw] wordt, ter voorkoming van verdere vertraging bij de behandeling van haar verzoek, in overweging gegeven het verzoek bij akte vermindering van eis in te trekken, en vervolgens alsnog zelf op de juiste wijze bij Team Familie aanhangig te maken.”
Bij vonnis van 23 oktober 2024 van team Handel van deze rechtbank is de zaak verwezen naar de rolzitting van 6 november 2024 en is iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij vonnis van 29 januari 2025 van team Handel van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
voor recht verklaard dat de Afstandsverklaring en het Echtscheidingsconvenant op 17 mei 2023, respectievelijk 1 mei 2023, buitengerechtelijk zijn vernietigd;
de vordering gesplitst van [de vrouw] om [de man] te veroordelen om aan [de vrouw] met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud te voldoen van € 2.500,- bruto per maand van het overige gedeelte van de procedure, en
- bevolen dat het afgesplitste deel van de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
- het afgesplitste deel van de procedure in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar Team Familie van deze rechtbank.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uit het vonnis van 29 januari 2025 van team Handel van deze rechtbank volgt dat het echtscheidingsconvenant tussen partijen, met een bepaling over partneralimentatie, buitengerechtelijk is vernietigd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw voor de vaststelling van een door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie in behandeling nemen.
De rechtbank neemt bij de berekening en vaststelling van de partneralimentatie als uitgangspunt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport). De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
De vrouw verzoekt een bijdrage in haar levensonderhoud van € 2.500,- bruto per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.
Behoefte vrouw
De vrouw heeft een berekening van haar behoefte overgelegd, waar de man op de zitting akkoord mee is gegaan. In die berekening is uitgegaan van geen inkomen aan de zijde van de vrouw en een inkomen aan de zijde van de man van € 67.985,- per jaar aan loon en
€ 24.943,- per jaar aan winst uit onderneming in 2022. Conform de hofnorm bedraagt daarmee de behoefte van de vrouw € 2.614,- per maand in 2022. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.057,- per maand.
Aanvullende behoefte vrouw
Voor de vaststelling van de aanvullende behoefte van de vrouw moet haar eigen huidige inkomen van haar totale behoefte worden afgetrokken.
De vrouw heeft loonstroken overgelegd van juli en augustus 2025 waaruit een inkomen van € 1.503,- per maand blijkt. De man stelt dat de vrouw meer moet kunnen werken dan zij nu doet en dat er rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit. De rechtbank zal in dit geval uitgaan van de huidige situatie. De vrouw werkt bij een sociale werkplaats en de man heeft de beperkingen van de vrouw niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit toe te kennen.
De rechtbank zal daarom uitgaan van het inkomen van € 1.503,- per maand. Verder gaat de rechtbank uit van 8% vakantiegeld, de pensioenpremie van € 47,- per maand en de aanvullende pensioenpremie RP van € 12,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 1.507,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt daarmee (€ 3.057,- minus € 1.507,- =)
€ 1.550,- netto per maand, zijnde € 2.892,- bruto per maand.
Draagkracht man
De man stelt een inkomen van € 87.222,- bruto per jaar uit loon te hebben. De rechtbank acht dit inkomen redelijk, gelet ook op de werktijd van de man van 36 uur per week. De man heeft eerder meer gewerkt als ZZP-er, maar hij heeft aangegeven dat hij dat werk heeft ingeruild voor werken in loondienst. Gelet hierop gaat de rechtbank alleen uit van zijn inkomen uit loondienst. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om van overige verdiencapaciteit uit te gaan.
Uitgaande van een jaarinkomen van € 87.222,- en rekening houdend met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.720,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2025, de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)]. Bij een NBI van € 4.720,- resulteert dit in een draagkracht van de man van € 1.196,- per maand.
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn onderhoudsplicht voor [de jong-meerderjarige] . Volgens de man bedraagt haar behoefte op grond van de WSF-norm € 920,- per maand, uitgaande van een budget van € 1.116,- per maand en studiefinanciering van € 196,- per maand. De vrouw betwist deze behoefte van [de jong-meerderjarige] .
De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat hij gemiddeld € 884,- per maand aan [de jong-meerderjarige] betaalt. De rechtbank ziet aanleiding om aan te nemen dat dit de feitelijke uitgaven zijn en zal daarom, mede gelet op de betwisting van de vrouw, daarbij aanknopen. Uitgaande van de onderhoudsbijdrage van € 884,- per maand voor [de jong-meerderjarige] resteert een draagkracht van de man van € 312,- per maand.
De rechtbank ziet, anders dan de man, geen aanleiding om rekening te houden met de kosten voor de nieuwe echtgenote van de man, omdat zij geen voorrang heeft op de vrouw. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man kon weten dat hij met het aangaan van dit nieuwe huwelijk zijn vermogen om te voorzien in de onderhoudsverplichting voor de vrouw zou schaden, welk risico voor zijn rekening komt. Ook is onvoldoende gebleken of onderbouwd dat de nieuwe echtgenote niet in haar eigen inkomen zou kunnen voorzien.
Gebruteerd komt de draagkracht van de man neer op € 499,- per maand. Omdat de aanvullende behoefte van de vrouw per maand hoger is dan de draagkracht van de man, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum 1 november 2024 hanteren. Tot dat moment heeft de man namelijk, conform het op dat moment geldende convenant, € 850,- per maand als partneralimentatie aan de vrouw betaald. Voor zover de man vanaf dat moment nog een onderhoudsbijdrage aan de vrouw heeft betaald, worden die betalingen in mindering gebracht op het door de man met terugwerkende kracht te betalen bedrag.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vaststellen dat de man met ingang van
1 november 2024 een partneralimentatie van € 499,- bruto per maand aan de vrouw moet voldoen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
De vrouw heeft verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat iedere partij zijn of haar eigen proceskosten draagt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw hiertoe afwijzen en de proceskosten compenseren, zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt de door de man, met ingang van 1 november 2024, aan de vrouw te betalen partneralimentatie op € 499,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.