[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 12 oktober 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 8 augustus 2025 in een HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 21 oktober 2025 gronden van beroep ingediend. De minister en het Coa hebben een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vanwege een aankomende Dublin-overdracht op 10 november 2025 de opvang verlaten. Op diezelfde dag is de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan
heeft de gemachtigde van het COa en de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich schriftelijk voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep tegen het plaatsingsbesluit
Eisers beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat de time-out maatregelen die op 2 september 2025 en 8 oktober 2025 zijn opgelegd geen doel treffen, omdat eiser op die momenten onder invloed van alcohol was en hij daarom niet in staat was de maatregel met zijn volle verstand te begrijpen. Eiser vindt het verder opvallend dat er geen eerdere voorzorgsmaatregelen zijn genomen zoals een correctiegesprek, een waarschuwingsbrief of een leermaatregel.
Verder voert eiser aan dat er een contra-indicatie was voor plaatsing in de HTL, omdat sinds 13 mei 2025 duidelijk is dat eiser suïcidale gedachten heeft. Eiser hoort niet op een HTL-locatie maar heeft vanwege zijn psychische problematiek 24 uur per dag zorg nodig.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat eiser het incident op 9 oktober 2025 dat mede aan het plaatsingsbesluit ten grondslag is gelegd, niet als zodanig heeft bestreden. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – dat eiser een blikje bier had en boos werd, schreeuwde en hard met zijn vuist op tafel sloeg, toen hem tijdens een gesprek werd verteld dat hij niet in het openbaar mocht drinken. Daarbij dreigde hij de medebewoner met wie hij een dag eerder op 8 oktober 2025 een incident had, te doden en hem en zijn familie te bedreigen. Toen eiser werd terug begeleid naar zijn kamer, pakte hij uit een doos onder zijn bed een mes van 30 cm.
De rechtbank stelt ook vast dat eiser evenmin de kwalificatie van dit incident als een incident met een zeer grote impact, heeft bestreden.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa juist en conform het Maatregelenbeleid het besluit tot plaatsing in de HTL heeft genomen. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt dat het algemene uitgangspunt is dat na één incident met een zeer grote impact een HTL-maatregel kan worden opgelegd, tenzij er contra-indicaties aanwezig zijn.
De beroepsgrond dat er sprake is van een contra-indicatie vanwege zijn psychische problematiek en suïcidale gedachten, slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat het COa voorafgaand aan het plaatsingsbesluit op 9 oktober 2025 het GZA heeft geraadpleegd. Het GZA heeft op 10 oktober 2025 akkoord gegeven voor de plaatsing van eiser in de HTL met het voorbehoud dat de behandelingen bij CTP Veldzicht worden voortgezet. In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat de behandelingen bij CTP Veldzicht tot op heden zijn voortgezet. Ook krijgt eiser zijn medicatie op de HTL. Eiser heeft dit niet bestreden. Met enkel het overleggen van zijn patiëntendossier heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie aan het huidige verblijf in de HTL in de weg staat.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten tot plaatsing van eiser in de HTL, gelet op het incident met een zeer grote impact en de omstandigheid dat niet van contra-indicaties is gebleken. Het onder invloed zijn van alcohol is geen contra-indicatie en kan evenmin als een verzachtende omstandigheid worden aangenomen. Daarnaast blijkt uit het besluit dat al eerder met lichtere maatregelen is volstaan, maar dat deze weinig tot niets hebben opgeleverd.
Eisers beroepsgronden slagen niet. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Eiser heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vrijheidsbeperkende maatregel over de periode van 12 oktober tot en met 10 november 2025 onrechtmatig is geweest.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
7. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.