ECLI:NL:RBDHA:2025:24931

ECLI:NL:RBDHA:2025:24931, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, AWB 25-20707 en NL25.52248

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer AWB 25-20707 en NL25.52248
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL. Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de feitelijke weergave van het incident. Juiste kwalificatie. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 29 september 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 29 september 2025 in een HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 26 oktober 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 22 november 2025 afgezien van opvang. De vrijheidsbeperkende maatregel is op diezelfde dag opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het COa en de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep tegen het plaatsingsbesluit

3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 29 september 2025 is eiser op het AZC aangesproken toen hij een sigaret stond te roken op een plaats waar dit niet is toegestaan. Eiser reageerde verbaal agressief door de medewerkers in het Arabisch en Engels uit te schelden, hen te beledigen en hen te bedreigen via Google translate. Tijdens de begeleiding van eiser naar de achterzijde van het gebouw weigerde eiser aanwijzingen op te volgen, stopte hij meerdere malen om opnieuw een sigaret op te steken en maakte hij dreigende opmerkingen. Op een gegeven moment balde eiser zijn vuisten en keek hij medewerker 1 dreigend aan. Vervolgens sloeg eiser medewerker 1 met gebalde vuisten tegen zijn borst waarbij hij medewerker 1 bedreigde met de tekst “I will kill you.”

Eiser voert aan dat de feitelijke weergave in het plaatsingsbesluit niet juist is. Eiser stelt dat medewerker 1 zich jegens hem uitdagend en provocerend gedroeg. Medewerker 1 heeft eiser vastgepakt en eiser heeft in reactie hierop medewerker 1 met een licht duwtje/zetje van zich af geduwd. Eiser ontkent medewerker 1 met beide vuisten op de borst te hebben geslagen. Ook ontkent eiser “I will kill you” te hebben gezegd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in eisers stellingen, die niet nader zijn onderbouwd en ook geen aansluiting vinden bij feitelijke gebeurtenissen in het dossier, geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de feitelijke weergave van het incident in het plaatsingsbesluit. De rechtbank is verder van oordeel dat in het plaatsingsbesluit het incident en de feitelijke gedragingen van eiser gedetailleerd zijn omschreven. Daarbij overweegt de rechtbank dat een COa medewerker er geen belang bij heeft om niet naar waarheid te verklaren dat eiser hem met twee vuisten heeft geslagen en met de dood heeft bedreigd en er ook in dat opzicht geen reden is te twijfelen aan de verslaglegging.

4. Eiser voert aan dat het incident op onjuiste wijze is gekwalificeerd en niet als een incident met grote of zeer grote impact kan worden aangemerkt. Eiser stelt dat slechts sprake is geweest van een woordenwisseling dan wel hooguit van een kleine ruzie. Eiser voert ook aan dat het incident een plaatsing in een HTL niet rechtvaardigt.

Ook deze beroepsgronden slagen niet. De minister heeft desgevraagd op zitting bevestigd dat het incident is gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een juiste kwalificatie. Door de minister is in dit verband terecht gewezen op het Maatregelenbeleid, waaruit blijkt dat sprake is van een incident met zeer grote impact wanneer er sprake is van agressie en geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Het COa heeft het met de vuisten op de borst slaan en de doodsbedreiging richting medewerker 1 terecht aangemerkt als gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser bagatelliseert het incident ten onrechte door het aan te merken als een woordenwisseling of kleine ruzie.

Volgens het Maatregelenbeleid wordt bij een incident met zeer grote impact in beginsel een maatregel opgelegd. Eisers betoog dat het incident een plaatsing in de HTL niet rechtvaardigt slaagt dan ook evenmin. Verder is niet van contra-indicaties gebleken.

5. Eisers beroepsgronden slagen niet. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel

6. Tegen de vrijheidsbeperkende maatregel zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze maatregel in de periode van 29 september tot en met 22 november 2025 onrechtmatig is geweest. Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ook derhalve ook ongegrond.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn en het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen. Eiser krijgt ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. Y. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?