RECHTBANK DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/691241 / FA RK 25-6770
Beschikking d.d. 17 november 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Aksü, gevestigd te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 5 september 2025;
- het betekeningsexploot.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.
2. De beoordeling
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021, te [plaats 1] , Turkije. De vrouw heeft de Bulgaarse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.
Scheiding
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
Woning
De vrouw heeft verzocht het huurrecht van de woning aan de man toe te kennen.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 200,- per maand.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de partnerbijdrage als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat, voor zover van toepassing, de verdeling van de huwelijksgemeenschap buiten rechte zal plaatsvinden, nu er geen substantiële te verdelen vermogensbestanddelen zijn en partijen slechts hun persoonlijke goederen zullen verdelen in onderling overleg. Naar de rechtbank begrijpt, verzoekt de vrouw verzocht om te bepalen dat partijen hun persoonlijke goederen in onderling overleg zullen verdelen
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
Omdat partijen zijn gehuwd na 29 januari 2019 is op het huwelijksvermogensstelsel van partijen de Verordening Huwelijksvermogensstelsel (Verordening (EU) 2016/1103) van toepassing.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt.
Op grond van artikel 26 lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel daarom beheerst door het recht van het land waar partijen na de huwelijkssluiting de eerste gewone verblijfplaats hadden.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk in Nederland hadden.
Daarom is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestaat.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
3. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats 1] , Turkije op
[datum] 2021.
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres ( [postcode] )
[plaats 2] , [adres] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
bepaalt dat de man € 200,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat partijen hun persoonlijke goederen in onderling overleg zullen verdelen;
verklaart deze beschikking, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
17 november 2025.