RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53709 (beroep) en NL25.53710 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
1. Eiser komt uit Turkije. Hij is Koerd. Hij is uit de gevangenis in Turkije gevlucht en heeft in Nederland asiel gevraagd. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiser problemen heeft vanwege toegedichte deelname aan de Koerdische Arbeiderspartij PKK. Wel gelooft verweerder dat hij te maken heeft gehad met discriminatie vanwege zijn etniciteit. Dat was echter niet zo ernstig dat hij recht heeft op asiel. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft afdoende rekening gehouden met eisers medische situatie. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de overlegde documenten niet objectief verifieerbaar zijn. De samenwerkingsplicht strekt niet zover dat van verweerder verwacht mag worden dat hij inlogt op e-Devlet om te verifiëren dat de belastende documenten die eiser heeft ingebracht daadwerkelijk betrekking hebben op eisers persoon. Daarnaast heeft eiser zijn asielrelaas niet met voldoende andere documenten onderbouwd. Aan hem komt vanwege onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen ook geen voordeel van de twijfel toe. Verweerder heeft bovendien deugdelijk gemotiveerd dat niet blijkt dat bij terugkeer naar Turkije sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 januari 2025 een asielaanvraag ingediend als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Omdat eiser, nadat hij is uitgenodigd voor een zitting, op 5 december 2025 heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank op 8 december 2025 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 9 december 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Waarover gaat deze uitspraak?
3. Eiser is geboren op [datum] 1999, heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Turkije wordt gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische afkomst. De Koerdische minderheid wordt in Turkije structureel gediscrimineerd en onderdrukt, wat ook zijn persoonlijke situatie aanzienlijk heeft verslechterd. Daarnaast is hij in Turkije vervolgd voor verschillende strafbare feiten, waaronder voor het gebruik van en de handel in verdovende middelen. Omdat hem een gevangenisstraf van twintig jaar boven het hoofd hangt vanwege toegedichte betrokkenheid bij de PKK, is hij eind 2024 ontsnapt uit de gevangenis en Turkije ontvlucht. Op dat moment was hij ruim vier jaar gedetineerd. Hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Turkije.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw en heeft daarbij de volgende asielmotieven van het asielrelaas als relevant aangemerkt:
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit geloofwaardig. Eisers problemen met de Turkse autoriteiten vanwege toegedichte deelname aan de PKK acht verweerder om de volgende, hierna kort samengevatte, redenen niet geloofwaardig.
Eiser heeft wat betreft dit tweede asielmotief geen objectieve documenten overgelegd die dit motief volledig kunnen onderbouwen en heeft hiervoor geen goede verklaring. Omdat hij zijn paspoort niet heeft overlegd, wordt hem tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Hij heeft voorts onvoldoende documenten overgelegd die de gestelde beschuldiging van betrokkenheid bij de PKK ondersteunen en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Ook vormen zijn verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en e, van de Vw
De geloofwaardig bevonden asielmotieven worden door verweerder niet zwaarwegend genoeg bevonden. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Verweerder wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw, omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Heeft verweerder afdoende rekening gehouden met eisers medische situatie bij het gehoor?
5. Eiser voert aan dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat bij het horen geen rekening is gehouden met zijn medische situatie. Uit het door medTadvies verrichtte medisch onderzoek is naar voren gekomen dat eiser meer tijd nodig heeft om vragen te beantwoorden, zijn concentratie wisselend is, hij emotioneel reageert bij het vertellen van zijn relaas en stress en spanningen bij hem kunnen leiden tot ademhalingsproblemen. Omdat uit dit advies blijkt dat hij, als gevolg van deze medische klachten, moeite kan hebben met het afleggen van verklaringen, had verweerder inzichtelijk moeten maken op welke wijze met die beperkingen rekening is gehouden tijdens het horen. Eiser vindt hiervoor steun in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en Werkinstructie SUA “WI 2014/10 Inhoudelijke beoordeling (asiel)” (WI 2014/10).
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het horen van eiser afdoende rekening heeft gehouden met de beperkingen zoals geschetst in het advies van medTadvies en dit ook inzichtelijk heeft gemaakt. Uit het rapport nader gehoor van 25 oktober 2025 volgt namelijk dat verweerder het advies kenbaar betrekt door dit te benoemen en de beperkingen die hieruit volgen voor te leggen aan eiser. Daarbij geeft verweerder aan rekening te zullen houden met eisers klachten, eiser regelmatig te vragen hoe het met hem gaat en pauzes in te lassen. Uit het verdere verloop van het gehoor blijkt vervolgens dat verweerder eiser op verschillende momenten vraagt hoe hij zich voelt, een toelichting verstrekt over de vragen die zijn gesteld wanneer eiser hiervan afwijkt en daarbij uitleg geeft over wat er van eiser wordt verwacht, als ook meermaals het horen pauzeert. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door geen rekening te houden met eisers medische situatie. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zijn medische situatie niet met aanvullende stukken heeft onderbouwd. Ook merkt de rechtbank op dat eiser niet kenbaar heeft gemaakt op welke jurisprudentie van de Afdeling hij een beroep doet en dat Werkinstructie SUA “WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)” (WI 2024/6) in de plaats is gekomen voor WI 2014/10. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de overlegde documenten niet objectief verifieerbaar zijn?
6. Eiser voert aan dat verweerder aan de overgelegde documenten ten onrechte niet de waarde hecht die eiser wenst. Deze documenten die ter onderbouwing van de beschuldigingen door de Turkse autoriteiten van eisers betrokkenheid bij de PKK zijn overgelegd, omvatten onder andere eisers klachten die zijn ingediend bij de Turkse ombudsman en het verzoek en de onderbouwing voor zijn inverzekeringstelling. Verweerder had deze documenten niet terzijde kunnen schuiven met de enkele stelling dat deze niet objectief verifieerbaar zijn. Bovendien heeft eiser verweerder meermaals aangeboden om de inloggegevens van e-Devlet te verstrekken, zodat verweerder de documenten digitaal kon verifiëren en kon inzien dat deze betrekking hebben op zijn persoon. Met het weigeren van dit aanbod heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel en de samenwerkingsplicht geschonden, aldus eiser.
De rechtbank overweegt als volgt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de klachten bij de ombudsman niet objectief verifieerbaar is, omdat deze door eiser zelf zou zijn geschreven. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat uit de door eiser overlegde documenten blijkt dat de ombudsman eisers klacht niet in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat uit de documenten die niet inhoudelijk zien op die klacht, niet blijkt dat die betrekking hebben op eisers persoon. In deze documenten wordt de naam van eiser namelijk niet genoemd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om zijn asielaanvraag voor zover mogelijk met bewijsmiddelen te onderbouwen. Het standpunt dat die andere documenten bijlagen zijn bij het document over de klacht, is niet onderbouwd. De stelling van eiser in dit verband dat verweerder in het kader van de samenwerkingsplicht meer onderzoek had moeten doen, bijvoorbeeld door in e-Devlet te kijken omdat daar te zien zou zijn dat de documenten allen bij elkaar horen, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de samenwerkingsplicht niet zover dat van verweerder verwacht mag worden dat hij inlogt op e-Devlet om te verifiëren dat alle documenten betrekking hebben op eisers persoon. Het had op de weg van eiser gelegen om deze stelling te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van een derde of screenshots. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de door eiser gestelde problemen met de Turkse autoriteiten vanwege toegedichte deelname aan de PKK ongeloofwaardig kunnen vinden?
7. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met de Turkse autoriteiten vanwege toegedichte deelname aan de PKK ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft zijn standpunt onvoldoende gemotiveerd, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De argumenten die verweerder daarvoor heeft gegeven kan de rechtbank volgen. Eén van die terechte argumenten is dat eiser vaag en wisselend verklaarde over de doorzoekingen op zijn werkplek. Enerzijds verklaart eiser dat er doorzoekingen zijn gedaan bij zijn huis en werkplek. Anderzijds verklaart hij niet te weten of de overlegde documenten over de doorzoekingen zien op zijn werkplek, niet te weten waar er invallen zijn gedaan en dat dit over de werkplek van zijn vader zal gaan en hij zelf geen persoonlijke werkplek heeft. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat het ook onduidelijk is hoe de overlegde documenten over de doorzoekingen verband houden met eisers persoon. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het van eiser verwacht mag worden dat hij tijdens de correcties en aanvullingen op het nader gehoor aanpassingen en toevoegingen doet over dit onderwerp als daar onjuistheden in zitten.
Verder heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend verklaarde over de veroordelingen in strafzaken over drugs en verzet tegen politie en ambtenaren. Enerzijds stelt eiser de meeste strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld niet te hebben begaan. Anderzijds volgt uit zijn verklaringen dat hij wel strafbare feiten heeft begaan. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet kan worden vastgesteld of eiser onterecht veroordeeld is, omdat dit niet wordt onderbouwd. Verweerder heeft zich daarbij ook op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde veroordelingen in het verleden geen grond vormen voor asielverlening.
Eisers stelling dat variaties in de volgorde van zijn verhaal het natuurlijk gevolg zijn van het geven van uitgebreide informatie over een complexe persoonlijke situatie en dat deze niet kunnen worden geïnterpreteerd als aanwijzing voor onbetrouwbaarheid of tegenstrijdigheid, overtuigt niet.
Op grond van de voormelde argumenten heeft verweerder eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel hoeven vinden. Ook heeft verweerder bij de beoordeling van de verklaringen de door eiser ingebrachte bewijsstukken op kenbare en voldoende manier betrokken. Al daarom eiser niet het voordeel van de twijfel hoeven geven voor wat betreft de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over de problemen met de Turkse autoriteiten vanwege toegedichte deelname aan de PKK. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden die zich richten tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van dit tweede asielmotief op grond van andere bepalingen dan artikel 31, zesde lid, letter c, van de Vw.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eisers asielmotieven niet zwaarwegend genoeg zijn?
8. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Turkije niet te vrezen heeft voor vervolging of dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade vanwege discriminatie op grond van zijn Koerdische afkomst of vanwege (toegedichte) betrokkenheid bij de PKK. In Turkije wordt hij structureel gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische afkomst. Hij is meermaals op straat en op politiebureaus vernederd, mishandeld en gedeeltelijk ontkleed. Zijn vervolging en gevangenisstraf van 20 jaar is een direct gevolg van zijn toegedichte banden met de PKK. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 volgt bovendien dat in Turkije een negatieve houding tegenover Koerden wordt aangenomen, waarbij zij structureel worden achtergesteld bij het vinden van werk, huisvesting en sociaal voorzieningen. Ook worden zij vaak gestigmatiseerd of gezien als sympathisanten van de PKK. Doordat deze onderdrukking en vernedering juist vanuit de autoriteiten uitgaat, ontbreekt elke vorm van effectieve bescherming. Daar komt bij dat eiser een oom heeft die betrokken is geraakt bij het politieke conflict in Turkije. Deze oom was actief lid van de HDP-partij, die door de Turkse autoriteiten wordt gezien als een partij met banden met de Koerdische beweging en de PKK, en verblijft momenteel in detentie in Turkije. Om deze reden is er een dossier geopend voor eiser, wat betekent dat de autoriteiten ook belangstelling voor hem hebben. Dit vergroot het risico dat eiser zelf met politieke vervolging te maken krijgt bij terugkeer naar Turkije. Daarbij speelt ook mee dat eiser in het verleden is ontsnapt uit de gevangenis. In het voornoemde algemeen ambtsbericht wordt bovendien ook expliciet vermeld dat familieleden van PKK-leden regelmatig het doelwit zijn van de Turkse autoriteiten, aldus eiser.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat eiser bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor vervolging door discriminatie op grond van zijn Koerdische afkomst, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de discriminatie die eiser heeft meegemaakt, hoe betreurenswaardig dat ook is, niet een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft immers toegang gehad tot gezondheidszorg, huisvesting en werk. Niet is gebleken dat eiser als gevolg van zijn Koerdische afkomst met een dermate ernstige repressie te maken heeft gekregen, dan wel te maken dreigt te krijgen, dat tot vluchtelingschap of een schending van artikel 3 van het EVRM moet worden geconcludeerd. Eisers stelling dat effectieve rechtsbescherming ontbreekt, slaagt zonder nadere onderbouwing niet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een gegronde vrees vanwege zijn (toegedichte) politieke overtuiging. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder eisers gestelde problemen met de Turkse autoriteiten vanwege toegedichte deelname aan de PKK ongeloofwaardig kunnen vinden. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard nooit politiek actief te zijn geweest en dat bij terugkeer naar Turkije ook niet te zullen zijn. Bovendien heeft eiser in het verleden geen problemen gehad vanwege toedichting van een politieke overtuiging. Zijn standpunt dat eiser eerder is vervolgd en een gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen vanwege toegedichte betrokkenheid met de PKK of zijn Koerdische etniciteit, heeft eiser niet met bewijsmiddelen onderbouwd. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer wel problemen zal krijgen hierdoor. Dat de oom van eiser vanwege politieke activiteiten is veroordeeld, maakt dit niet anders. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt dat familieleden van (vermeende) PKK’ers te maken kunnen krijgen met vormen van repressie, worden derdegraads familieleden zoals ooms en neven hierbij niet genoemd. De stelling dat de Turkse autoriteiten belangstelling voor eiser hebben en een dossier voor hem hebben geopend, wordt door de rechtbank, zonder toelichting op de overgelegde documenten waarop de naam van eisers oom is vermeld, niet gevolgd. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat zijn ontsnapping uit de gevangenis, in combinatie met zijn etniciteit, maakt dat sprake is van een gegronde vrees of een reëel risico. Eiser had dit meer moeten onderbouwen.
De rechtbank volgt verweerder in zijn gemotiveerde standpunt dat gelet op het voorgaande niet blijkt dat bij terugkeer naar Turkije sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de conclusie?
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de gevraagde asielvergunning niet krijgt.
Gezien deze beslissing over het beroep, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.