RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35923
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg)
en
(gemachtigde: mr. C.A. van Es).
1. Eiseres is afkomstig uit Liberia. Zij heeft een asielaanvraag ingediend. Haar ouders zijn overleden. Zij stelt dat zij daarna door haar oom is mishandeld en dat zij door hem is bedreigd met besnijdenis en uithuwelijking. Ook is zij verkracht. Ze is vertrokken uit Liberia met hulp van een mensensmokkelaar, waardoor ze in Tunesië in de prostitutie kwam te werken. Bij terugkeer vreest eiseres om besneden te worden of om gedood te worden. Daarom vindt zij dat zij aangemerkt moet worden als vluchteling, dan wel als persoon die bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft wel dat eiseres door haar oom is mishandeld en dat zij door hem is bedreigd met besnijdenis en uithuwelijking, maar verweerder vindt niet dat eiseres beschouwd moet worden als een vluchteling. Ook vindt verweerder dat eiseres bij terugkeer naar Liberia geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank volgt verweerder niet en komt tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De motiveringsgebreken zien met name op gendergerelateerd geweld waarop eiseres zich heeft beroepen.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 30 juli 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres stelt de Liberiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2003. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres woonde, na de dood van haar vader, samen met haar moeder bij haar oom. Na enige tijd stierf ook de moeder van eiseres. Hierna deed de oom van eiseres een poging om eiseres uit te huwelijken aan een man genaamd [naam] . Dit was in 2017. Eiseres heeft dit geweigerd. Haar oom heeft haar toen mishandeld waarbij zij in haar gezicht met vuur is geraakt. Hij wilde dat eiseres besneden zou worden. Met tussenkomst van de lokale ‘chief’ kon eiseres dit vooralsnog voorkomen. Eiseres is vervolgens verkracht door twee onbekende mannen en is zwanger geraakt, waardoor haar oom de besnijdenis en uithuwelijking uitstelde. Hij heeft eiseres met zijn vrouw zwartgemaakt richting de buitenwereld en beschuldigd van voodoo. Eiseres moest huishoudelijk werk doen voor haar oom. Nadat haar kind was geboren heeft eiseres haar kind in 2022 afgestaan aan vrienden. Toen heeft zij Liberia verlaten. Ze is met hulp van een mensensmokkelaar vertrokken. In Tunesië werd ze daardoor gedwongen in de prostitutie te werken. Ze is weggelopen en via Italië in 2023 in Nederland aangekomen. Bij terugkeer vreest eiseres voor haar oom. Zij vreest om besneden te worden of om gedood te worden.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat het relaas van eiseres uit de volgende motieven:
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit niet. Eiseres heeft haar identiteit namelijk niet met identificerende documenten aangetoond, waardoor haar identiteit niet kan worden vastgesteld. Er kan weinig waarde worden gehecht aan de kopie van de geboorteakte van eiseres. Ook heeft eiseres wisselend verklaard over de vraag of zij ooit een identiteitskaart heeft gehad. Verweerder houdt wel de door eiseres genoemde persoonsgegevens aan.
Verweerder vindt de problemen van eiseres met haar oom geloofwaardig. Verweerder gelooft dat de oom van eiseres een poging heeft gedaan om haar uit te huwelijken. Ook gelooft verweerder dat de oom van eiseres gewelddadig is geweest naar eiseres toe. Verweerder vindt echter dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Liberia nog te vrezen heeft voor besnijdenis. Ook vindt verweerder dat eiseres bij terugkeer naar Liberia geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De poging tot uithuwelijking door de oom heeft immers niet plaatsgevonden en verweerder vindt de door eiseres omschreven mishandelingen niet zwaarwegend genoeg voor een schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft voor de dood. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres tijdens de gehoren niet specifiek naar voren heeft gebracht dat zij bij terugkeer vreest voor verkrachting. Daarom is de vrees voor verkrachting niet beoordeeld.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres moet Nederland binnen vier weken verlaten.
Had verweerder het bestreden besluit moeten ondertekenen?
5. Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit had moeten ondertekenen. Doordat verweerder dit niet heeft gedaan, kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit en kan dit besluit dus niet gehandhaafd blijven. Eiseres verwijst onder meer naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 november 2023.
De rechtbank volgt eiseres niet. Voor eiseres is het immers mogelijk om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het besluit staat namelijk de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Ook staat in het colofon van het besluit dat de beslismedewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming, A&B BOA. Een handtekening van deze beslismedewerker voegt hier niets aan toe. Ook zonder handtekening is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiseres. Er is dan ook geen sprake van een gebrek. Ten aanzien van de verwijzing van eiseres naar de Afdelingsuitspraak van 6 november 2023 verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 december 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder het referentiekader van eiseres kenbaar moeten vermelden in het bestreden besluit?
6. Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit kenbaar had moeten vermelden wat het referentiekader van eiseres is. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en kan dit besluit daarom niet gehandhaafd blijven.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar had hoeven vermelden wat het referentiekader van eiseres is. Het expliciet uiteenzetten van het referentiekader in het bestreden besluit is immers geen vereiste. Waar het om gaat, is dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen van eiseres rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, zoals haar leeftijd, achtergrond en ervaringen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit voldoende kenbaar heeft gedaan. Daarbij is doorslaggevend dat eiseres heeft nagelaten te onderbouwen waarom haar referentiekader van invloed is geweest op haar vermogen om te verklaren en tot welke concrete andere afwegingen verweerder daardoor had moeten komen over de verklaringen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 augustus 2025. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eiseres een mondelinge vertaling moeten geven van het terugkeerbesluit?
7. Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte geen mondelinge vertaling heeft gegeven van het terugkeerbesluit. Volgens eiseres volgt uit artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn dat zij het recht heeft om te kiezen of zij een mondelinge of schriftelijke vertaling wenst te ontvangen van het terugkeerbesluit. Eiseres heeft aangegeven dat zij een mondelinge vertaling wenst. Verweerder had daarom niet mogen volstaan met een schriftelijke, Nederlandstalige beschikking.
De rechtbank overweegt dat de Terugkeerrichtlijn lidstaten verplicht om te zorgen dat de vreemdeling geïnformeerd wordt over (de gevolgen van) een terugkeerbesluit. De richtlijn schrijft voor dat dit schriftelijk of mondeling moet gebeuren en geeft de vreemdeling daarbij geen recht om te kiezen voor een specifieke vorm van informatieverstrekking. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 augustus 2025. Verder bevat het bestreden besluit een QR-code waarmee eiseres informatie over de (gevolgen van) het terugkeerbesluit kan verkrijgen in een voor haar begrijpelijke taal. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de identiteit van eiseres geloofwaardig moeten vinden?
8. Eiseres voert aan dat zij haar identiteit met het overleggen van een kopie van haar geboorteakte afdoende heeft aangetoond. Eiseres is bovendien niet geconfronteerd met het feit dat zij wisselend zou hebben verklaard over het wel of niet hebben van een identiteitskaart. Daarom mag verweerder haar dit niet tegenwerpen. Verweerder had de identiteit van eiseres aldus geloofwaardig moeten vinden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het nader gehoor blijkt dat eiseres wisselend heeft verklaard over het wel of niet hebben meegenomen bij haar reis van een identiteitskaart. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze wisselende verklaringen eiseres tegengeworpen konden worden, ondanks het feit dat eiseres tijdens de gehoren niet hiermee is geconfronteerd. Eiseres had volgens verweerder de mogelijkheid om haar wisselende verklaringen te corrigeren in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze, maar dit heeft zij niet gedaan. De gemachtigde van verweerder heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 18 juli 2025. De rechtbank volgt verweerder. Eiseres had eerder verklaard niet te beschikken over een ID-kaart en heeft de onduidelijkheden nog steeds niet opgeklaard, terwijl dat wel op haar weg ligt. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de overgelegde geboorteakte een kopie is en daardoor niet op echtheid kan worden onderzocht. Bovendien is een geboorteakte geen identiteitsdocument. Het kan enkel dienen als ondersteunend bewijs. Verweerder had de identiteit van eiseres dus niet geloofwaardig hoeven vinden. Overigens heeft het ongeloofwaardig achten van de identiteit geen gevolgen gehad voor de beoordeling van de asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat eiseres bij terugkeer naar Liberia niet te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade?
Standpunt van eiseres
9. Eiseres voert aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer naar Liberia niet te vrezen heeft voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag of voor ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. In Liberia is eiseres immers door haar oom mishandeld en bedreigd met besnijdenis en uithuwelijking. Zij vreest opnieuw slachtoffer te worden van huiselijk geweld en alsnog te worden besneden of uitgehuwelijkt. Volgens eiseres had verweerder zich niet op het standpunt mogen stellen dat vrouwenbesnijdenis steeds minder vaak voorkomt in Liberia. Verweerder verwijst immers naar landeninformatie van al zeventien jaar oud. Eiseres verwijst naar een rapport van het EUAA uit 2024 over vrouwenbesnijdenis in Liberia en naar het Country Report 2024 over Liberia van het ECOI, waarin is neergelegd dat er in Liberia veel geweld is naar vrouwen toe en dat er vaak vrouwenbesnijdenis plaatsvindt bij meisjes. Uit deze rapporten blijkt volgens eiseres ook dat volwassen vrouwen een risico lopen op besnijdenis. Volgens eiseres heeft verweerder dit miskend. Daarbij voert eiseres aan dat de lokale chief de besnijdenis en uithuwelijking van eiseres wel heeft tegengehouden, maar enkel vanwege haar jonge leeftijd. Daarna is de besnijdenis en uithuwelijking enkel uitgesteld vanwege de verkrachting en zwangerschap van eiseres. De oom van eiseres is bovendien niet vervolgd. Dit blijkt ook uit de Notary Certificate dat eiseres heeft overgelegd en waarin het relaas van eiseres wordt bevestigd. Eiseres krijgt dus geen effectieve bescherming van de lokale autoriteiten in Liberia. Verder wijst eiseres op een nieuwsartikel uit 2020, waaruit blijkt dat er een noodtoestand was uitgeroepen in Liberia vanwege de vele verkrachtingen. Verweerder had het relaas van eiseres over haar verkrachting als apart asielmotief moeten aanmerken. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres zich beroepen op de moeilijke positie van (alleenstaande) vrouwen in Liberia.
Met het voorgaande heeft eiseres in essentie een beroep gedaan op de moeilijke positie van vrouwen in Liberia. Zoals ter zitting besproken, begrijpt de rechtbank dit als een beroep op het arrest WS tegen Bulgarije van 16 januari 2024 en het arrest AH en FN tegen Oostenrijk van 4 oktober 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).
Juridisch kader
10. In het arrest WS heeft het Hof bepaald dat vrouwen kunnen behoren tot een specifieke sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn, wanneer vaststaat dat zij in hun land van herkomst op grond van hun geslacht zijn blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk geweld, daaronder begrepen seksueel en huiselijk geweld. In sub d van artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn zijn twee vereisten neergelegd waaraan een groep mensen moet voldoen om aangemerkt te kunnen worden als een specifieke sociale groep. Het eerste vereiste ziet onder andere op het hebben van een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden. In het arrest WS noemt het Hof als voorbeeld hiervoor de vrouw die zich heeft onttrokken aan een gedwongen huwelijk. Als de vrouw ten gevolge hiervan discriminatie of vervolging ondervindt, dan is volgens het Hof ook aan het tweede vereiste van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn voldaan. In het arrest AH en FN heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat sommige discriminatoire maatregelen op zichzelf niet ernstig genoeg kunnen zijn om als vervolging aangemerkt te kunnen worden, maar dat deze maatregelen in samenhang met elkaar wel gezien kunnen worden als vervolging. Als voorbeeld hierbij noemt het Hof Afghaanse vrouwen, die vanwege een samenspel van discriminatoire maatregelen van het Taliban-regime in aanmerking komen voor het vluchtelingschap. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat daden zoals een gedwongen huwelijk op zichzelf al vervolging zijn.
Bovengenoemde arresten zijn door verweerder geïmplementeerd in beleid opgenomen in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hierin zijn drie elementen neergelegd die voornamelijk van belang kunnen zijn bij de beoordeling of bij vrouwen sprake is van een specifieke sociale groep:
culturele, religieuze of traditionele normen (zoals genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus);
onttrekking van vrouwen aan of weigering van een gedwongen huwelijk of het verbreken van een huwelijk; of
het bestaan van huiselijk, seksueel en/of eergerelateerd geweld.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank volgt eiseres. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de voornoemde arresten en het in verband daarmee geïmplementeerde beleid. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de landeninformatie over Liberia blijkt dat de positie van vrouwen in Liberia problematisch is. De ingebrachte informatie gaat met name over verkrachting en besnijdenis, maar dit op zich onderbouwt al die moeilijke positie. De rechtbank wijst verder met eiseres op het Country Report 2024 over Liberia van het ECOI en het door verweerder geloofwaardig bevonden relaas van eiseres. Eiseres heeft verklaard dat zij na het overlijden van haar ouders in het huishouden van haar oom is terechtgekomen en toen door haar oom is mishandeld. Hierdoor heef zij blijvende schade overgehouden in haar gezicht. In de Notary Certificate staat dat eiseres meerdere keren op gewelddadige wijze is aangevallen door haar oom en hij na onderzoek door de autoriteiten is aangeklaagd voor zware mishandeling. Daarnaast heeft haar oom volgens eiseres gepoogd haar te laten besnijden en haar op jonge leeftijd uit te huwelijken. Dit laatste staat ook in de Notary Certificate. Verder lijkt uit haar verklaringen te volgen dat zij door haar oom is uitgebuit en is zwartgemaakt jegens haar directe omgeving en dat dit tot verdere bemoeilijking van haar sociale en maatschappelijke positie in Liberia heeft geleid. Ook heeft eiseres verklaard dat zij is verkracht door twee onbekende mannen. Niet is gebleken dat eiseres bescherming heeft gekregen van de lokale autoriteiten voor enige van deze problemen. Weliswaar heeft de lokale chief belet dat eiseres zou worden besneden en uitgehuwelijkt, maar dit betekent niet dat het gevaar voor besnijdenis en uithuwelijking voor eiseres volledig is afgewend. Ook zijn de autoriteiten na overlijden van de buurvrouw die de aanklacht over de mishandelingen had ingediend, niet overgegaan tot vervolging van de oom. Hij is dus niet verantwoordelijk is gehouden voor de mishandelingen. Ook is nergens uit gebleken dat eiseres op enige wijze is beschermd of geholpen nadat zij verkracht was.
De rechtbank wijst hierbij op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn. In dit artikellid is bepaald dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is. Dit toetsingskader is door verweerder ook neergelegd in zijn beleid in IB 2020/62. Uit de geloofwaardig geachte verklaringen van eiseres volgt dat eiseres in het verleden als vrouw in Liberia is blootgesteld aan vervolging. Er volgt ook uit dat zowel de onbekende mannen die haar verkracht hebben, als haar oom en eventueel tante als actor hebben opgetreden. Ook blijkt er uit dat zij is vertrokken met hulp van een mensensmokkelaar waarbij zij tot prostitutie is gedwongen. Dit impliceert weer een andere daad van vervolging en actor. Eiseres heeft, uitgaande van haar verklaringen, in feite ook ernstige schade geleden. Uit de voornoemde bepaling volgt dat verweerder goede redenen moet hebben om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich in de toekomst niet opnieuw zal voordoen. Hieruit volgt dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres bij terugkeer naar Liberia vanwege haar gender niet meer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij verweerder lijkt te liggen. Gelet op bovengenoemde arresten, hetgeen bepaald is in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vc en gelet op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, had verweerder nader moeten uitleggen hoe hij dit ziet. Mocht verweerder tot de conclusie komen dat eiseres eerder slachtoffer is geworden van vervolging of ernstige schade, dan moet hij ingaan op de eventuele redenen om aan te nemen dat zij niet opnieuw slachtoffer zal worden. Daarbij is de positie van eiseres relevant als zij terugkeert naar Liberia ten opzichte van haar eerdere situatie. Verweerder moet concreet betrekken of eiseres bij terugkeer een alleenstaande vrouw is of opnieuw onder verantwoordelijkheid van haar oom zal vallen en, daarmee, risico loopt op een herhaling van hetgeen haar eerder is aangedaan. Daarbij moet verweerder zijn reactie op het rapport van het ECOI niet enkel toespitsen op het risico voor eiseres op besnijdenis, zoals hij nu heeft gedaan, maar moet hij dit rapport in bredere zin bij zijn beoordeling betrekken, namelijk met het oog op de positie van vrouwen, al dan niet alleenstaand, in Liberia.
De rechtbank volgt verweerder zonder nadere toelichting niet in zijn standpunt dat eiseres zichzelf na terugkeer kan redden. Dit geldt ook voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld dat er goede redenen zijn dat eiseres niet opnieuw slachtoffer zal worden van vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de verklaringen en het bewijs volgt immers dat haar besnijdenis en uithuwelijking enkel zijn uitgesteld en dat haar oom niet is vervolgd voor zijn daden en bedreigingen. Verweerder heeft in dit verband onvoldoende onderzocht wat de situatie is voor eiseres bij terugkeer. Het enkele feit dat eiseres nu ouder is dan achttien jaar, dat zij naar verwachting in een grote stad zal gaan wonen en eerder zelf geld heeft verdiend, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres niet weer slachtoffer zal worden van vervolging of ernstige schade. Zo is niet duidelijk in welke mate eiseres haar eigen geld heeft verdiend. Onduidelijk is of zij bij terugkomst een zelfstandig bestaan kan leiden of zich opnieuw tot familie moet wenden. De dreiging met besnijdenis lijkt eiseres verder meegemaakt te hebben terwijl zij in een grote stad woonde, ondanks dat volgens landeninformatie besnijdenis meer voorkomt op het platteland.
Tot slot is de rechtbank met eiseres van oordeel dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de gestelde vrees voor verkrachting. De enkele omstandigheid dat eiseres haar verkrachting tijdens de gehoren niet als apart asielmotief naar voren heeft gebracht, betekent immers niet dat de verkrachting niet mede of op zich grond kan zijn voor vervolging of een risico op ernstige schade. Het gaat om de vraag of sprake is van gegronde vrees hiervoor of een reëel risico daarop bestaat. De uiting van de subjectieve vrees bij een gehoor kan daarbij van belang zijn, maar is in het algemeen niet doorslaggevend. Verweerder dient dit in het nieuw te bestreden besluit alsnog te beoordelen, mede in samenhang met de andere aspecten van haar relaas. De door eiseres ingebrachte landeninformatie is overigens op zich niet voldoende voor de onderbouwing van gestelde objectieve vrees voor verkrachting. De informatie is namelijk ruim vijf jaar oud en er is geen onderbouwing dat de noodtoestand vanwege verkrachtingen nog steeds voortduurt.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor vier weken, tenzij verweerder besluit tot nader onderzoek. In dat geval bepaalt de rechtbank een beslistermijn van zestien weken, waarvan twaalf weken voor het verrichten van onderzoek en vier weken voor het nemen van een besluit.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 juli 2025;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak,
( i) binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak,
(ii) dan wel binnen zestien weken als verweerder binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluit tot nader onderzoek;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.