[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Samenvatting
1. Eiser, een man uit Eritrea, heeft een verblijfsdocument aangevraagd als ouder van zijn Nederlandse minderjarige kinderen, een recht dat voortvloeit uit het Unierecht.
Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat in een eerdere asielprocedure onherroepelijk is vastgesteld dat eiser is uitgesloten van de vluchtelingenstatus op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv), wegens zijn betrokkenheid bij zeer ernstige misdrijven in Eritrea. Volgens dit artikel worden onder meer personen van de vluchtelingenstatus uitgesloten die een misdrijf tegen de menselijkheid hebben begaan. Hoewel eiser niet kan worden uitgezet vanwege het risico op een onmenselijke behandeling (artikel 3 van het EVRM), stelt verweerder dat zijn persoonlijk gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Dit rechtvaardigt volgens verweerder de weigering van het verblijfsrecht. De belangenafweging tussen de bescherming van de openbare orde en het recht op gezinsleven van eiser en zijn kinderen valt in het nadeel van eiser uit (het recht op gezinsleven, gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM). Eiser is het niet eens met de beslissing.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom eiser nog steeds een gevaar voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt en de uitkomst daarvan is niet onevenredig. Ook heeft verweerder alle betrokken belangen voldoende meegewogen en mocht hij in redelijkheid het algemeen belang zwaarder laten wegen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dit betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. In deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Op 30 november 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Hij stelt een afgeleid verblijfsrecht te hebben als ouder van zijn minderjarige Nederlandse kinderen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juni 2023 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Ten aanzien van het griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Gelet op de door eiser overgelegde verklaring omtrent zijn inkomen en vermogen, wijst de rechtbank dit verzoek toe. Dit betekent dat eiser is vrijgesteld van de betaling van het griffierecht voor zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening.
Ten aanzien van het beroep
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit. In een eerdere asielprocedure is zijn aanvraag afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vv. De uitsluiting van de vluchtelingenstatus is gebaseerd op zijn betrokkenheid bij zeer ernstige misdrijven. Hij heeft van 2005 tot 2012 gewerkt bij de special forces in Sawa en als trainer in de militaire kampen Wia en Meter, waar op grote schaal misdrijven tegen de menselijkheid werden gepleegd. Eiser kan niet worden uitgezet naar Eritrea, omdat hij daar een risico loopt op een onmenselijke behandeling. Dit is in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dit besluit staat in rechte vast sinds de uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2016.
Eiser is vader van drie minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben. Hij stelt een afgeleid verblijfsrecht te hebben op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Chavez-Vilchez. Dit verblijfsrecht strekt ertoe te voorkomen dat een minderjarig Nederlands kind, dat burger is van de Unie, feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten omdat zijn ouder en verzorger, een derdelander, geen verblijfsrecht heeft.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, ook al heeft hij in beginsel een verblijfsrecht. De reden hiervoor is dat het persoonlijk gedrag van eiser, in het licht van de feiten en aspecten die ten grondslag liggen aan de toepassing van artikel 1(F) van het Vv, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving (de openbare orde) vormt. Op grond van deze uitzondering kan het verblijfsrecht worden geweigerd. Verweerder heeft een evenredigheidsbeoordeling verricht en geconcludeerd dat het belang van de staat bij bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van eiser en zijn gezin. Ook vindt verweerder dat er geen sprake is van een schending van het recht op gezinsleven, zoals beschermd in artikel 8 van het EVRM. Er is wel sprake van familieleven, maar ook in dit kader weegt het belang van de Nederlandse staat zwaarder dan het belang van eiser en zijn gezin.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn aanvraag.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser werkzaam is geweest bij de special forces in Sawa en in de militaire kampen Wia en Meter. Het besluit waarin eiser 1(F) van het Vv is tegengeworpen staat in rechte vast. Evenmin is in geschil dat eiser, als ouder en verzorger van zijn minderjarige Nederlandse kinderen, in beginsel een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Chavez-Vilchez. De kern van het geschil is of verweerder het verblijfsrecht van eiser mocht weigeren op grond van de openbare orde. Dit omvat de vraag of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele bedreiging vormt, en of alle omstandigheden zijn meegewogen bij de daaropvolgende evenredigheidsbeoordeling. Het geschil ziet verder op de vraag of de afwijzing standhoudt in het licht van artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde
Het beoordelingskader
7. Een burger van de Unie, zoals de Nederlandse kinderen van eiser, heeft het recht om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven. Als een minderjarig kind afhankelijk is van de zorg van een ouder die geen EU-burger is, kan die ouder een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Zonder een dergelijk verblijfsrecht van de ouder zou het kind immers gedwongen kunnen worden om met de ouder de Unie te verlaten, wat een inbreuk kan zijn op het verblijfsrecht van het kind om in de Unie te verblijven. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Chavez-Vilchez.
Dit verblijfsrecht van een ouder en verzorger is echter niet absoluut. Het kan worden beperkt om redenen van openbare orde. De lat daarvoor ligt hoog. Er moet sprake zijn van een ‘actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.’ Deze beoordeling moet gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van betrokkene.
In de arresten K. en H.F. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 december 2020 is dit toetsingskader nader uitgewerkt voor personen op wie artikel 1(F) van het Vv van toepassing is. Uit deze rechtspraak volgt dat een eerdere tegenwerping als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv niet automatisch betekent dat de vreemdeling daardoor een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Dit moet worden vastgesteld op basis van een individuele beoordeling van het persoonlijke gedrag. Daarbij moet rekening worden gehouden met wat in het 1(F)-besluit is vastgesteld en welke aspecten aan dat besluit ten grondslag zijn gelegd. In het bijzonder de aard en de ernst van de aan de vreemdeling verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid, het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling, het tijdsverloop en het gedrag van betrokkene ná de periode van de misdrijven. De uitzonderlijke ernst van de gepleegde handelingen kan rechtvaardigen dat de bedreiging, ook na een lang tijdsverloop, als actueel wordt beschouwd. Gedrag dat getuigt van een houding die de in artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde fundamentele waarden aantast, kan op zichzelf een actuele bedreiging vormen.
Vormt eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging?
Eiser stelt dat hij geen actuele bedreiging vormt. Hij voert daartoe aan hij niet direct betrokken was bij de misdrijven en wijst op het aanzienlijke tijdsverloop, de gedwongen dienstplicht, het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling en het feit dat hij in Nederland nooit met justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Het uitgangspunt is de onherroepelijke vaststelling dat op eiser artikel 1(F) van het Vv van toepassing is vanwege zijn betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid. Dit zijn misdrijven die tot de zwaarste internationale categorie behoren. In het 1(F)-besluit is vastgesteld dat eiser een faciliterende en bovengeschikte rol had en gedurende een lange periode (2005-2012) een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan deze misdrijven. Daarbij heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat de context van de dienstplicht in het 1(F)-besluit niet heeft geleid tot een strafuitsluitingsgrond.
De uitzonderlijke ernst van deze feiten maakt dat de bedreiging die van eisers aanwezigheid uitgaat, zeer lang actueel blijft. Het gaat hierbij niet primair om het risico van herhaling, maar om de aanwezigheid van personen die zich aan dergelijke misdrijven schuldig hebben gemaakt. Dit ondermijnt de basisprincipes van de rechtvaardige samenleving en het gevoel van veiligheid en vertrouwen onder burgers. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte gewezen op het belang dat slachtoffers niet in Nederland met eiser worden geconfronteerd. Het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling van eiser voor deze misdrijven doet hier niet aan af, nu de 1(F)-vaststelling een autonome bestuursrechtelijke beoordeling is die geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Bovendien kunnen de mogelijkheden voor een strafrechtelijk onderzoek beperkt zijn.
Verweerder heeft het tijdsverloop en het uitblijven van strafbare feiten in Nederland expliciet bij de beoordeling betrokken, maar heeft hieraan, in lijn met vaste rechtspraak, geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Belangrijker is of eiser inzicht heeft getoond in zijn handelen, daarvoor verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont. De rechtbank stelt vast dat eiser dit op geen enkele wijze heeft gedaan. Hoewel eiser directe betrokkenheid ontkent, betekent dit niet dat eiser geen blijk kan geven van enig inzicht of verantwoordelijkheidsbesef. Van iemand die betrokken is geweest bij zulke ernstige misdrijven, mag worden verwacht dat hij actief afstand neemt van zijn verleden. Door dit na te laten, toont eiser een houding die de fundamentele waarden van de Unie blijft aantasten.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder kunnen concluderen dat de bedreiging voor de openbare orde nog steeds actueel is. Verweerder heeft in lijn met de hiervoor weergegeven rechtspraak gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de beslissing evenredig?
Eiser voert aan dat het besluit onevenredig is. Hij betoogt dat, onder verwijzing naar de richtsnoeren van de Europese Commissie, bij de evenredigheidstoets dwingend rekening moet worden gehouden met de mate van persoonlijke betrokkenheid en met verzachtende omstandigheden, zoals zijn faciliterende rol en de dienstplicht.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De door eiser aangehaalde richtsnoeren van de Europese Commissie zijn bedoeld om de lidstaten te ondersteunen en hebben niet de status van een juridisch bindend instrument. De juridische basis voor de Unierechtelijke evenredigheidstoets wordt gevormd door rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name het arrest Rendón Marin. Hieruit volgt dat een globale beoordeling moet worden verricht, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het gedrag van de vreemdeling, de duur en de rechtmatigheid van het verblijf, de aard en de ernst van het feit, de mate van actueel gevaar en de situatie van de betrokken kinderen.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet strikt gebonden is aan de door eiser bepleite toepassing van de richtsnoeren. Wel dient verweerder inzichtelijk te maken hoe hij de door eiser aangevoerde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft gesteld dat hij de mate van betrokkenheid heeft meegewogen, maar tot de conclusie is gekomen dat deze omstandigheden niet afdoen aan de ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de toepassing van artikel 1(F) van het Vv. Ten aanzien van de aangevoerde dienstplicht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het 1(F)-besluit is vastgesteld dat het geen strafuitsluitingsgrond is en niet afdoet aan de individuele verantwoordelijkheid van eiser. De rechtbank acht dit standpunt van verweerder niet onredelijk.
Bij de uiteindelijke evenredigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht staat het fundamentele belang van de samenleving bij de bescherming van de openbare orde tegenover het belang van eiser en zijn kinderen. Hoewel het verblijfsrecht van het kind en de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidsrelatie een zeer zwaarwegend belang vertegenwoordigen, is dit recht, zoals volgt uit vaste rechtspraak, niet absoluut. Gelet op de vastgestelde actuele bedreiging die van eiser uitgaat en de uitzonderlijke ernst van de misdrijven, heeft verweerder een doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang. De weigering van het verblijfsrecht is dan ook niet onevenredig in het licht van artikel 20 VWEU.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit in strijd met het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 van het EVRM)?
8. Eiser voert aan dat de afwijzing in strijd is met zijn recht op gezinsleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM. Hij stelt dat verweerder de belangen van zijn kinderen onvoldoende heeft meegewogen.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 juli 2022 geoordeeld dat in alle gevallen waarin wordt beoordeeld of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, ook een belangenafweging moet worden verricht. Daarbij vereist de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ tussen het belang van eiser en zijn gezin enerzijds, en het algemeen belang van de Nederlandse staat anderzijds. Bij beslissingen waarbij kinderen betrokken zijn, moeten de belangen van die kinderen een eerste overweging te vormen en moet aan die belangen, hoewel niet doorslaggevend, een aanzienlijk gewicht worden toegekend. De rechtbank beoordeelt of verweerder alle relevante aspecten in zijn beoordeling heeft betrokken. Daarnaast beoordeelt de rechtbank, enigszins terughoudend toetsend, of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser kon laten uitvallen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de volgende aspecten in zijn afweging heeft betrokken. Enerzijds wordt het gezinsleven van eiser aanzienlijk bemoeilijkt. Anderzijds heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat de echtgenote van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en de zorg voor de kinderen in Nederland kan voortzetten. Er bestaat de mogelijkheid op andere manieren contact te onderhouden met zijn kinderen, waardoor het gezinsleven niet onmogelijk wordt gemaakt. Verweerder heeft ook het feit mogen betrekken dat eiser nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en al sinds langere tijd wist dat zijn verblijf in Nederland onzeker was. Verder heeft verweerder in zijn beoordeling kunnen meewegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, los van zijn gezin, specifieke banden met Nederland heeft opgebouwd. Hieruit volgt dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen.
Tegenover het zwaarwegende belang van de kinderen om met hun vader in Nederland op te groeien, staat een eveneens zwaarwegend algemeen belang. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat aan dit algemeen belang een uitzonderlijk gewicht toekomt. Hierbij is van doorslaggevende betekenis de aard en ernst van de misdrijven die ten grondslag liggen aan het 1(F)-besluit. Het betreft misdrijven tegen de menselijkheid die de meest fundamentele waarden van de internationale rechtsorde raken. Dit belang wordt verder versterkt door de eerdere vaststelling van de rechtbank dat eiser, mede gelet op zijn houding en gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef, een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.
De combinatie van de uitzonderlijke ernst van de misdrijven en de actuele dreiging die van eiser uitgaat, maakt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de inmenging in het gezinsleven van eiser noodzakelijk is in een democratische samenleving. Verweerder heeft dan ook de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is er een aparte toetsing aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie nodig?
9. Eiser voert tot slot aan dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd in het licht van artikel 7 van het Handvest. Dit artikel beschermt ook het recht op gezinsleven. De proportionaliteitstoetsing 8 van het EVRM is immers niet identiek aan Unierechtelijke beoordeling artikel 7 van het Handvest.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De bescherming van het recht op familie- en gezinsleven in artikel 7 van het Handvest is inhoudelijk vergelijkbaar met die van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom een aparte toetsing aan artikel 7 van het Handvest in zijn geval tot een andere uitkomst zou moeten leiden. De belangenafweging die in het kader van artikel 8 van het EVRM is gemaakt, kan daarom ook de toetsing aan artikel 7 van het Handvest doorstaan.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond en daarom is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst eisers verzoek daartoe daarom af.
De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van het betalen van de griffierechten toegewezen. Eiser hoeft dus geen griffierechten te betalen.
Er bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Informatie over hoger beroep
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.