ECLI:NL:RBDHA:2025:24992

ECLI:NL:RBDHA:2025:24992, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.56211

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer NL25.56211
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, beroep, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56211

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 20 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Gronden van de maatregel

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser betwist alle zware gronden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat hij geen misbruik heeft gemaakt van zijn Schengenvisum door na ontvangst hiervan in Nederland asiel aan te vragen. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat hij slechts één vertrekgesprek heeft gemist omdat hij de uitnodiging daarvan niet heeft ontvangen. Verder heeft eiser zich altijd aan de meldplicht gehouden. Ten aanzien van zware grond 3k voert eiser aan dat de enkele stelling dat hij in Nederland asiel wil aanvragen en hier wil blijven, niet de conclusie rechtvaardigt dat hij daarom ook niet zou meewerken aan zijn overdracht aan Spanje.

4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3b en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Ten aanzien van deze zware grond stelt de rechtbank vast dat verweerder de feitelijke juistheid van deze grond voldoende heeft toegelicht, nu eiser met zijn asielaanvraag een ander doel beoogde dan het doel waarvoor het door Spanje verstrekte visum is verleend. Met zijn Schengenvisum is hij naar Nederland gereisd waar hij direct een asielaanvraag heeft gedaan. Daarmee heeft eiser te kennen gegeven dat hij langdurig verblijf beoogt in Nederland. Verweerder heeft daarom de zware grond 3a tegen kunnen werpen. De rechtbank verwijst hier naar een uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1601). Verweerder heeft zich ook terecht en deugdelijk op het standpunt gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Vaststaat dat eiser op 31 mei 2025 is geregistreerd als zijnde ‘met onbekende bestemming’ (MOB) vertrokken. Daarmee heeft verweerder eiser terecht kunnen tegenwerpen dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Hierna heeft eiser zich ook niet meer gemeld. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3k zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 6 maart 2025 een overdrachtsbesluit ontvangen waaruit blijkt dat eiser kan worden overgedragen aan Spanje. Eiser heeft geen medewerking verleend aan zijn overdracht en heeft meermaals verklaard dat hij niet terug wil naar Spanje. Zware grond 3k is daarom feitelijk juist en kon aan eiser worden tegengeworpen.

5. De zware gronden 3a, 3b en 3k en de niet bestreden lichte gronden 4c en 4d zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een nieuwe uitnodiging voor het vertrekgesprek en een door partijen afgesproken (korte) vertrektermijn.

7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en het significant risico op onttrekken dat daaruit volgt, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder benadrukt bovendien terecht dat eiser eerder, te weten op 31 mei 2025, is geregistreerd als zijnde met onbekende bestemming (MOB) vertrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Griffier

  • mr. B.C.M. Burger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?