ECLI:NL:RBDHA:2025:24998

ECLI:NL:RBDHA:2025:24998, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.54937

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer NL25.54937
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, het verlengingsbesluit, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.54937

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Bij besluit van 1 november 2025 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste negen maanden verlengd.

Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het verlengingsbesluit

1. De bewaring van eiser is verlengd op grond van artikel 59b, vijfde lid, van de Vw, omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van:a. complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; enb. een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid.

2. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte voorwaarde a van artikel 59b, vijfde lid, van de Vw ten grondslag heeft gelegd aan het verlengingsbesluit van 1 november 2025 omdat geen sprake (meer) is van complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hoewel tijdens de behandeling van eisers asielaanvraag mogelijk sprake was van complexe feitelijke en juridische omstandigheden, dateren deze omstandigheden van geruime tijd geleden en is inmiddels beslist op de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag op 2 oktober 2025 op zitting behandeld en nu volgt enkel nog de uitspraak. Het voorgaande maakt dan ook dat de situatie op dit moment niet langer feitelijk of juridisch complex is.

3. Eiser betoogt dat verweerder voorwaarde b ook ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het verlengingsbesluit. Het misdrijf dat hij heeft begaan dateert van meer dan 10 jaar geleden. Volgens eiser zou aan dit tijdsverloop meer betekenis moeten worden toegekend. Dat zijn aanwezigheid indruist tegen het algemeen rechtsgevoel binnen de samenleving en aanleiding kan vormen voor maatschappelijke onrust en onveiligheid, is onvoldoende concreet om als een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid te worden gekwalificeerd.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voorwaarde a aan het verlengingsbesluit van 1 november 2025 ten grondslag heeft kunnen leggen. Zoals eiser terecht stelt, heeft verweerder inmiddels beslist op de asielaanvraag van eiser maar deze beslissing staat nog niet in rechte vast. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit en de rechtbank dient nog uitspraak op dit beroep te doen. Als de rechtbank het besluit vernietigt zal verweerder naar verwachting opnieuw op de aanvraag dienen te beslissen en daarbij de complexe feitelijke en juridische omstandigheden moeten betrekken die samenhangen met de vraag naar de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

5. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder voorwaarde b ook terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft bij besluit van 24 september 2024 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaren opgelegd, omdat eiser wordt beschouwd als een gevaar voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft gemotiveerd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, op grond waarvan eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, lid 3, onder e, van de Opvangrichtlijn, Richtlijn 2013/33/EU. De rechtbank wijst hierbij op de motivering in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarin overwogen dat de maatregel van bewaring, zoals bedoeld in artikel 59b Vw, aan eiser is opgelegd omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend en er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij, tezamen met drie anderen, een Nigeriaanse politicus opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Eiser heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan moord, hetgeen een misdrijf is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder artikel 59b, vijfde lid, van de Vw, dan ook terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat de vreemdelingendetentie voor hem onevenredig bezwarend is, omdat de uitspraak in het beroep tegen het afwijzende asielbesluit nog op zich laat wachten en omdat hij ’s nachts veel piekert en hierdoor psychische problemen heeft.

8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Hierboven is overwogen dat verweerder zich terecht op standpunt stelt dat er zwaarwegend belang van openbare orde en nationale veiligheid is om eiser in bewaring te houden. Eisers stelling dat hij al enige tijd in detentie verblijft, leidt daarom niet de conclusie dat een lichter middel had moeten worden opgelegd. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16). Eiser heeft verder niet onderbouwd dat de medische faciliteiten die aanwezig zijn op het detentiecentrum ontoereikend zijn, zodat er vanuit kan worden gegaan dat eiser detentiegeschikt is. Van andere omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken, is de rechtbank niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?