ECLI:NL:RBDHA:2025:25004

ECLI:NL:RBDHA:2025:25004, Rechtbank Den Haag, 23-10-2025, NL25.41326 en NL25.41339

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-10-2025
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer NL25.41326 en NL25.41339
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin Bulgarije. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , eisers

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.41326 en NL25.41339

V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

(gemachtigde: mr. C. Kelderman).

Procesverloop

Bij bestreden besluiten van 28 augustus 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvragen.

Eisers hebben beroep ingesteld. Op 5 en 19 september 2025 hebben eiser gronden van beroep ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eisers hebben een onbekende nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 2003 en [geboortedatum 2] 2005. Eisers zijn neven. Zij hebben op 16 mei 2025 asielaanvragen in Nederland ingediend.

Uit EUVIS is gebleken dat eisers in het bezit waren van een visum voor Bulgarije, geldig voor een periode in mei 2025. Op 18 juni 2025 en 23 juni 2025 heeft Nederland aan Bulgarije verzocht om eisers over te nemen op grond van artikel 26, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Bulgarije heeft deze terugnameverzoeken op 3 en 9 juli 2025 aanvaard.

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het bestreden besluit

4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvragen in Nederland te behandelen.

Beroepsgronden

5. Eisers menen dat voor Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de omstandigheden in de opvangcentra in Bulgarije sinds 2015 steeds verder verslechteren. In de zienswijze hebben eisers reeds verwezen naar het AIDA-rapport, update 2024. De enkele motivatie door verweerder dat het AIDA-rapport, update 2024 geen wezenlijk andere situatie schetst van de situatie in Bulgarije ten aanzien van de opvangfaciliteiten tijdens het AIDA-rapport, update 2023 is onvoldoende nu niet deugdelijk is gemotiveerd dat de opvang in Bulgarije voldoet aan de eisen uit de Opvangrichtlijn. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen waarbij het meest recente AIDA-rapport wordt betrokken.

De beroepsgrond slaagt niet, de rechtbank licht dit als volgt toe.

Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit in onder andere de uitspraken van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870 en 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, geoordeeld en zeer recent op 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1080, 12 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2130, 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387 en 19 juni 2025 ECLI:NL:RVS:2025:2745 nog eens bevestigd. Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zullen nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

Het betoog van eisers dat niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel slaagt niet. Eisers hebben geen concrete punten aangegeven waaruit blijkt dat de (opvang)situatie relevant slechter is dan voorheen. Er is dan ook geen sprake van schendingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen zoals gedefinieerd in het arrest Jawo (ECLI:EU:C:2019:218). De verwijzing van eisers naar de AIDA-rapportage update 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat de grens van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo thans wel wordt bereikt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387 en van 19 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2745. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eisers hebben aangegeven geen ervaringen te hebben gehad met de opvang in Bulgarije en dat zij in Bulgarije geen problemen hebben ondervonden. Bovendien heeft Bulgarije met het claimakkoord bevestigd dat de asielaanvragen van eisers in behandeling zullen worden genomen. Ten aanzien van het beroep van eisers op de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16429), overweegt de rechtbank dat dit geen vergelijkbare zaak is.

De stelling van eisers dat het Bulgaarse beschermingsbeleid voor Palestijnen uit Jordanië substantieel afwijkt van de overige EU-landen en dat verweerder dan ook had moeten toetsen of sprake is van indirect refoulement, wordt evenmin gevolgd. De rechtbank overweegt dat in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van uiteenlopend beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Bulgarije met het claimakkoord heeft bevestigd dat de asielaanvragen van eisers in behandeling zullen worden genomen. Gelet hierop kan worden aangenomen dat Bulgarije bij de behandeling van de asielaanvragen van eisers conform Europese en internationale wetgeving zal handelen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit het AIDA-rapport, update 2024, niet blijkt dat vreemdelingen met een onbekende nationaliteit dan wel afkomstig uit Gaza/Palestina een (aantoonbare) andere behandeling krijgen in Bulgarije. De verwijzing van eisers naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (ECLI:NL:RBDHA:2025:15890) en van 12 november 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2024:19887) treft geen doel, omdat het in die procedures ging om asielaanvragen van vreemdelingen uit Turkije. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr.T.M.M. Plukaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?