Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 30 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.O. Perquin in Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.Th. Schravenmade in Maarssen.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.
Op 12 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en mr. R.A. van Noord en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt:
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van de kinderen en de voorlopige zorgregeling
Partijen hebben voor de zomervakantie afspraken gemaakt over een voorlopige zorgregeling, in die zin dat de man en de vrouw om de week met de kinderen in de echtelijke woning verblijven.
De vrouw stelt dat deze regeling niet langer houdbaar is en voert het volgende aan. Zowel de vrouw als de kinderen zijn toe aan rust, stabiliteit en een fijne thuisomgeving en dat is niet mogelijk als partijen blijven birdnesten. De vrouw kan deze rust en stabiliteit bieden als zij samen met de kinderen in de echtelijke woning kan blijven en dat de kinderen om het weekend bij de man zijn. De man heeft immers een alternatieve woonruimte waar hij kan verblijven, terwijl de vrouw geen vaste slaapplek heeft en bij vrienden of familie moet slapen. Daarnaast werkt de vrouw als kapster in een ingerichte salon op de zolder van de woning. Als de man het uitsluitend gebruik van de woning krijgt, kan zij haar werk niet meer uitvoeren. De vrouw vindt daarom ook dat zij meer belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Zij is momenteel aan het uitzoeken of zij de echtelijke woning kan overnemen.
De man heeft een voorkeur voor birdnesting, waarbij de ouders om de week bij de kinderen in de woning verblijven. Hij stelt dat hij net als de vrouw kan zorgen voor rust en stabiliteit, en dat het in het belang van de kinderen is als de kinderen evenveel bij de andere ouder zijn. De man verzoekt ook het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, omdat hij in de bodemprocedure ook wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld.
De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aangegeven dat birdnesting een fijne constructie is, waarbij zo min mogelijk veranderd voor de kinderen. Daarvoor is echter nodig dat partijen met elkaar communiceren en moet er sprake zijn van voldoende draagvlak.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de vrouw als de man belang om in de woning te blijven. Toewijzing van de woning aan één van de ouders heeft echter tot gevolg dat de andere ouder een marginale rol krijgt in de verzorging van de kinderen. De man heeft immers alleen een zolderruimte tot zijn beschikking en de vrouw heeft uitgelegd dat zij geen alternatieve woonruimte heeft waar zij de kinderen kan opvangen. Dit laatste acht de rechtbank bovendien niet in het belang van de kinderen. Voor hen is het fijn als zij in deze onrustige tijd in de echtelijke woning kunnen blijven wonen. In het kindgesprek hebben de kinderen ook aangegeven dat zij in de woning willen blijven wonen en een gelijke verdeling van de zorg willen.
De rechtbank overweegt ook dat de scheiding niet soepel verloopt, maar dat geen sprake is van onveiligheid bij één van de partijen. Zowel de vrouw als de man hebben daarnaast, hoewel niet ideaal, plekken waar zij terecht kunnen als de ander in de woning verblijft.
Alles afwegende zal de rechtbank beslissen dat de ouders moeten birdnesten. Het is duidelijk dat dit van de vrouw veel vraagt, maar er zijn geen alternatieven die de belangen van de kinderen voldoende waarborgen. De rechtbank zal daarom het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning koppelen aan de birdnestregeling.
Ten aanzien van de zorgregeling houdt de rechtbank rekening met een gelijkwaardige verdeling van de zorg voor de kinderen (ook in het weekend) en het werk van de vrouw in de woning. De vrouw werkt op maandag, dinsdag en woensdag. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de man met de kinderen in de woning verblijft:
Op de andere tijden zal de vrouw met de kinderen in de woning verblijven.
De rechtbank begrijpt dat het situatie niet optimaal is, maar is van oordeel dat de bovenstaande verdeling – op lange termijn – zorgt voor de meeste rust en de minste confrontaties tussen partijen. De rechtbank moedigt partijen aan om goede afspraken te maken over de praktische uitvoering van de birdnestregeling.
De verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van de kinderen zal de rechtbank vanwege de birdnestregeling afwijzen.
Lasten van de echtelijke woning
Het (voorwaardelijke) verzoek van de man tot bepaling dat de vrouw de eigenaarslasten en de overige vaste lasten moet dragen, valt niet onder de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank oordeelt daarom dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.
De vrouw heeft een lager inkomen dan de man en heeft daarom (in ieder geval als één van de partijen nieuwe woonruimte heeft gevonden) recht op hogere toeslagen dan de man. Daarom gaat de rechtbank er voor de alimentatieberekening van uit dat de vrouw de toeslagen ontvangt en de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen draagt.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De rechtbank zal rekenen met de tarieven van periode 2025-I.
Partijen zijn het erover eens dat aan de kant van de vrouw moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 14.207,- bruto per jaar in 2023, zoals volgt uit de aangifte inkomstenbelasting 2023.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 1.139,- per maand.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van een salaris van € 6.072,- bruto per maand, te vermeerderen met gemiddeld € 318,- per maand aan overwerk (overuren 100%, beschikbaarheidsdienst 5% en beschikbaarheidsdienst 10%), € 266,- per maand aan beschikbaarheidstoelage en € 10,- per maand aan tegemoetkoming AOV. Dit blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties van de maanden maart tot en met juni 2025. Omdat de man bij de [gemeente] werkt heeft hij daarbij recht op Individueel Keuze Budget (IKB) van 17,05% van zijn brutosalaris, wat neerkomt op een bedrag van afgerond € 1.063,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.655,- per maand.
Het NBGI van partijen bedraagt dus (1.139 + 4.655 =) € 5.794,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 211,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Dit komt neer op een NBGI van (1.139 + 4.655 + 211 =) € 6.005,- per maand.
Op basis van de Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen levert dit een behoefte op van € 1.382,- per maand in 2025.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van het kind tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).
Draagkracht van de vrouw
Partijen zijn het er niet over eens van welk inkomen moet worden uitgegaan bij de draagkracht van de vrouw.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en fulltime kan werken als kapster. De vrouw is namelijk gezond en fysiek in staat om meer te werken. Daarnaast zijn de kinderen van partijen ouder geworden en zitten op de middelbare school, waardoor er voor de vrouw geen noodzaak meer bestaat om minder te werken vanwege de zorg voor de kinderen. Gelet hierop moet volgens de man rekening gehouden met een (fictieve) winst uit onderneming € 100.000,-. De vrouw voert verweer en betwist dat zij een verdiencapaciteit heeft. Zij werkt al drie dagen per week en kan niet zomaar meer gaan werken.
De rechtbank overweegt dat de vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie het karakter heeft van een ordemaatregel, waarbij de rechtbank zoveel mogelijk aansluit bij de feitelijke situatie van partijen. Hierin is geen plaats voor de beoordeling van de discussie tussen partijen over de verdiencapaciteit van de vrouw. Een eventuele verdiencapaciteit van de vrouw kan in de bodemprocedure aan de orde komen.
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de behoefte. De vrouw heeft namelijk geen recente jaarcijfers van haar onderneming. De man heeft op de zitting verklaard dat de vrouw de afgelopen jaren steeds minder is gaan werken, zodat er geen reden is om te denken dat de vrouw meer is gaan verdienen. De rechtbank gaat daarom uit van een winst uit onderneming van € 14.207,- bruto per jaar.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Omdat beide partijen voorlopig ingeschreven blijven staan op het adres van de echtelijke woning zal de rechtbank – net als bij de behoefte – rekening houden met een kindgebonden budget van € 211,- per maand.
Gelet op de ingangsdatum, zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-II.
Aan de hand van deze uitgangspunten is het huidige NBI van de vrouw € 1.350,- per maand. Nu het NBI van de vrouw lager is dan € 1.875,- zal de rechtbank overeenkomstig de draagkrachttabel uitgaan van een draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand.
Draagkracht van de man
Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefte.
De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank rekening moet houden met een bonus en een bijzondere uitkering die de man heeft ontvangen. De man voert verweer en stelt dat het gaat om eenmalige extra’s die hij heeft ontvangen wegens een werkjubileum en tijdelijke overbelasting van zijn afdeling.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde brief van 9 juli 2025 blijkt dat de man een eenmalige bruto jubileumuitkering heeft ontvangen van € 3.570,73 omdat hij 25 jaar in overheidsdienst was op 2 april 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee duidelijk dat het gaat om een eenmalige uitkering wegens het werkjubileum van de man. Nu het niet gaat om een terugkerende jaarlijkse bonus zal de rechtbank daar geen rekening mee houden. Hetzelfde geldt voor de bijzondere uitkering. De rechtbank zal hier dus geen rekening mee houden.
Op basis van deze uitgangspunten berekent de rechtbank het huidige NBI van de man op € 4.655,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 1.364,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (50 + 1.364 =) € 1.414,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1364 / 1414 x 1382 = € 1.333,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 1414 x 1382 = € 49,-
samen € 1.382,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.333,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 49,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de hierboven vastgestelde voorlopige zorgregeling zal een zorgkorting van 35% kunnen worden gehanteerd. De behoefte bedraagt € 1.382,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,35 x 1.382 =) € 484,- per maand bedraagt.
Het aandeel van de man in de kosten bedraagt dan (1.333 – 484 =) € 849,- per maand per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het redelijk om de datum van de beschikking, te weten 26 augustus 2025, als ingangsdatum te hanteren van de kinderalimentatie omdat partijen de afgelopen periode de kosten voor de kinderen gezamenlijk hebben gedragen.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man met ingang van heden aan de vrouw voor beide kinderen gezamenlijk een voorlopige kinderalimentatie van € 849,- per maand, moet voldoen.
Aanhechten beschikking
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Voorlopige partneralimentatie
Zoals uit de aangehechte berekeningen blijkt, heeft de man na betaling van de kinderalimentatie geen draagkracht ten behoeve van partneralimentatie. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt als voorlopige zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen:
dat sprake zal zijn van een birdnestregeling in de echtelijke woning waarbij de man voor de kinderen zorgt:
en de vrouw op de andere tijden voor de kinderen zorgt.
*
bepaalt dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn;
bepaalt dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zal betalen van € 849,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek omtrent de lasten van de echtelijke woning;
*
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.