Voorziening in de voogdij in verband met overlijden gezagsdrager
(artikel 1:253g BW)
Beschikking op het op 9 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,
hierna: de raad.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende] ,
hierna: [belanghebbende] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- de kennisgeving van overlijden ex artikel 1:301 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de gemeente Amsterdam, ontvangen op 22 augustus 2025;
- het verzoekschrift, met bijlagen waaronder de bereidverklaring van [belanghebbende] en de akkoordverklaring van de minderjarige [de minderjarige] .
Op 6 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek
Het verzoek strekt ertoe [belanghebbende] te belasten met de voogdij over [de minderjarige] , met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Feiten
- [de moeder] en [belanghebbende] hebben een affectieve relatie gehad.
- Tijdens die relatie is uit [de moeder] (hierna: de moeder) op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] [de minderjarige] geboren.
- [de minderjarige] woonde tot het overlijden van de moeder samen met haar moeder en [belanghebbende] als gezin op één adres.
- De moeder is op 9 augustus 2025 overleden.
Beoordeling
De moeder was tot aan haar overlijden alleen met het gezag over [de minderjarige] belast. Omdat de moeder is overleden moet op grond van artikel 1:295 BW in het gezag over [de minderjarige] worden voorzien.
[belanghebbende] heeft in het leven van [de minderjarige] vaderrol vervuld, maar heeft [de minderjarige] niet erkend, zodat het juridische vaderschap niet vaststaat. Zowel [de minderjarige] als [belanghebbende] willen dat hij degene is die gezagsbeslissingen over [de minderjarige] zal nemen zolang zij minderjarig is. Ook de Raad en de rechtbank zien dat [belanghebbende] daarvoor de meest geëigende persoon is. Hij kan evenwel niet met het (ouderlijk) gezag worden belast, omdat hij niet de juridisch vader is van [de minderjarige] . De rechtbank zal [belanghebbende] daarom benoemen tot voogd, zodat hij in die hoedanigheid de noodzakelijke beslissingen over [de minderjarige] kan nemen.
Ter zitting is met [belanghebbende] besproken dat de benoeming tot voogd met zich brengt dat de kantonrechter toezicht zal houden op het door hem te voeren bewind over het vermogen van [de minderjarige] . Daarnaast is met hem gesproken over het verschil tussen voogdij en vaderschap. Hij is er op gewezen dat het mogelijk is om het vaderschap over [de minderjarige] alsnog te formaliseren door [de minderjarige] te erkennen. Daarvoor heeft de vader op dit moment de toestemming van de rechtbank (die de toestemming van de moeder vervangt) en de toestemming van [de minderjarige] nodig. De toestemming van de rechtbank kan met behulp van een advocaat bij de rechtbank worden verzocht. Alternatief is dat [belanghebbende] [de minderjarige] na haar 18e verjaardag erkent. In dat geval is alleen de toestemming van [de minderjarige] zelf nodig. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank [de minderjarige] gesproken en deze uitleg ook aan haar verstrekt.
Beslissing
De rechtbank:
benoemt tot voogd over de minderjarige: [de minderjarige] , op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,
- [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum 2] 1963 te [geboorteplaats 2] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.