Proces-verbaal mondelinge uitspraak
Gedaan op 23 oktober 2025
Naar aanleiding van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 8:86 van die wet op het beroep van:
[verzoeker] ,
verzoeker, tevens eiser,
wonende in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M.K. Bhadai in Den Haag,
tegen
de burgemeester van de gemeente Den Haag,
verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende] ,
de verloofde / achterblijfster,
wonende in Den Haag.
IProcedure
Bij besluit van 14 oktober 2024 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd, van 14 oktober 2025 (16.12 uur) tot en met 24 oktober 2025 (16.12 uur), ter zake van de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] , tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige achterblijfster.
Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Aanwezig waren:
Verzoeker is niet verschenen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.
II Beoordeling
In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Ingevolge artikel 2 lid 1 Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet.
Ingevolge artikel 6 lid 2 Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
Standpunt verzoeker
Verzoeker betoogt dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en dat er geen sprake (meer) is van dreiging tegenover achterblijfster. Volgens verzoeker is het huisverbod op basis van twijfel opgelegd en niet op basis van een deugdelijk onderzoek en zorgvuldige afweging. Er bestaat nog geen duidelijkheid over de vraag of partijen daadwerkelijk contact met elkaar zullen opzoeken. Ook wenst verzoeker de relatie voort te zetten in huiselijke kring en in zijn woning. Hij heeft geen vrienden of familie waar hij tijdelijk kan verblijven.
Standpunt verweerder
Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het bestreden besluit en de stukken op het standpunt gesteld dat het huisverbod zorgvuldig en op juiste gronden is opgelegd. Tijdens de oplegging was er sprake (geweest) van verward en angstig gedrag door verzoeker. Hij dacht dat de telefoons gehackt waren en dat mensen het op hem hadden voorzien. Daardoor had hij drie dagen lang de deur op slot gedaan en achterblijfster de woning niet laten verlaten. Daarnaast had verzoeker fysiek geweld laten zien door een deur in de woning kapot te slaan en de huisraad uit de woning te gooien. Achterblijfster had vanwege het gedrag van verzoeker zijn moeder laten komen, maar daar werd verzoeker paranoïde van. Verzoeker wilde zelf niks verklaren.
Toetsing oplegging van het huisverbod (14 oktober 2025)
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat verzoeker al enkele tijd erg verward gedrag vertoonde en op het moment van de oplegging van het huisverbod ook fysiek agressief was. Achterblijfster heeft verklaard dat zij verzoeker niet meer herkende en dat zij bang voor hem was.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande en de aard van een huisverbod dat in spoedeisende situaties als ordemaatregel wordt opgelegd, terecht op grond van de feiten en omstandigheden een (ernstig vermoeden van) ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar heeft aangenomen en dat een afkoelingsperiode om (verdere) escalatie te voorkomen noodzakelijk was. Verweerder was naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus bevoegd om gebruik te maken van zijn bevoegdheden op grond van artikel 2 Wth.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder ten aanzien van verzoeker bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod gebruik heeft gemaakt.
Verweerder heeft daarom terecht het huisverbod aan verzoeker opgelegd.
Toetsing op dit moment (23 oktober 2025)
Tot slot ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of na het nemen van het besteden besluit sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu zodanig is verbeterd dat er geen gronden meer zijn voor handhaving van het huisverbod. Op de zitting is gebleken dat verzoeker tweemaal het huisverbod heeft overtreden en bij de tweede overtreding, op 17 oktober 2025, op laste van de rechter-commissaris is opgenomen op de psychiatrische afdeling van de penitentiaire inrichting (PI) in [plaats 2]. Hoewel verzoeker op dit moment in de PI verblijft, is er te weinig zekerheid over wanneer hij vrijkomt en wat dat zou betekenen voor de veiligheid van achterblijfster.
Het huisverbod blijft dus in stand. De voorzieningenrechter verklaart het beroep van verzoeker tegen beide besluiten ongegrond en zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.
Er bestaat geen aanleiding tot veroordeling van één der partijen in de kosten van het geding.
III Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kan – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak met het rekestnummer FA RK 25-7949 – binnen zes weken van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op: