ECLI:NL:RBDHA:2025:25020

ECLI:NL:RBDHA:2025:25020, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.61889

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer NL25.61889
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

bewaring – vervolgberoep – artikel 59a – voortvarend handelen – artikel 28 Dublinverordening - ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61889

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft op 17 december 2025 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 22 december 2025 gereageerd op het verweerschrift.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 23 december 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

4. Eiser voert aan dat de overdracht aan de Duitse autoriteiten opnieuw is geannuleerd, waardoor de termijn zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening zal worden overschreden voordat de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten kan worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 28, vierde lid, van de Dublinverordening dient de bewaring van eiser uiterlijk op 22 december 2025 te worden opgeheven. In reactie op het door verweerder in het verweerschrift ingebrachte arrest Khir Amayry, voert eiser aan dat hij behoort tot de in dit arrest genoemde groep waarvan de opschortende werking van het beroep is geëindigd. Ingevolge de nationale wetgeving heeft een beroep gericht tegen een Dublinbesluit geen schorsende werking en eisers verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op 22 juli 2025 ingetrokken. Voor eiser geldt daarom de maximumtermijn van zes weken voor de overdracht, vanaf de datum van zijn inbewaringstelling. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door geen direct (telefonisch), of middels de Laisson-officier, contact op te nemen met de Duitse autoriteiten, dan wel met de deelstaatautoriteiten.

5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat de maximale bewaringstermijn van zes weken alleen ziet op de situatie waarin de vreemdeling eerst in bewaring is gesteld en vervolgens een claimakkoord tot stand is gekomen, dan wel de opschortende werking van een beroep of bezwaar is geëindigd. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde, omdat in het geval van eiser de opschortende werking van het beroep al is geëindigd alvorens eiser op 10 november 2025 in bewaring is gesteld.

6. In andere situaties dient te worden beoordeeld of is voldaan aan de eerste alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, namelijk dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd. Daarbij moet worden getoetst aan de concrete vereisten van de overdrachtsprocedure in elk afzonderlijk geval en mag de vreemdeling niet in bewaring worden gehouden voor een periode die de duur van zes weken waarbinnen de overdracht geldig kon worden uitgevoerd ruimschoots overschrijdt. Relevante factoren voor de vraag of de duur van de procedure gerechtvaardigd is, zijn met name het eventuele stilzitten van verweerder en de mate waarin de vreemdeling aan die duur heeft bijgedragen. Het Hof oordeelt in dit kader dat een bewaringsduur van twee maanden, gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten, niet als noodzakelijkerwijze buitensporig kan worden beschouwd. Een duur van drie maanden of meer overschrijdt daarentegen wel ruimschoots de redelijkerwijs noodzakelijke termijn om de voor de overdracht nodige administratieve procedures zorgvuldig uit te voeren. De rechtbank stelt vast dat eisers overdracht gepland staat op 16 januari 2026 en dat deze overdrachtsdatum in samenspraak met de Duitse autoriteiten tot stand is gekomen. Dit betekent dat eiser voor de duur van twee maanden en zes dagen in bewaring wordt gesteld, wat met inachtneming van de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2022 niet als noodzakelijkerwijs buitensporig wordt aangemerkt.

7. Eisers stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aangaande de uitzetting van eiser door geen direct dan wel indirect contact op te nemen met de Duitse autoriteiten, dan wel met de deelstaatautoriteiten, is niet nader onderbouwd. Gelet op de noodzakelijke medische reisvoorwaarden die voor eisers overdracht dienen te worden getroffen, heeft verweerder zorgvuldig gehandeld door eisers geplande overdracht op 18 december 2025 te annuleren omdat de fysieke overdracht naar aanleiding van eisers BMA-advies door de Duitse autoriteiten niet is bevestigd. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat verweerder op 17 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Uit het verweerschrift volgt dat de Duitse autoriteiten op 19 december 2025 hebben verzocht om de overdracht van eiser niet eerder dan half januari 2026 in te plannen en een gezondheidsverklaring over eiser toe te sturen, waarna verweerder op 19 december 2025 ook de overdracht van eiser met medische escort heeft ingepland op 16 januari 2026. Gelet op het bovenstaande volgt uit eisers dossier genoegzaam dat verweerder voortvarend werkt aan eisers begeleide overdracht, met de bijbehorende noodzakelijke medische waarborgen.

8. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. Y. Chakur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?