Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/691090 / KG ZA 25-875
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 26 september 2025
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. A. Neermawatie Nandoe te ’s-Gravenhage.
tegen:
[de vader] te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. J. du Bois te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops, griffier.
Tevens zijn aanwezig beide partijen vergezeld van hun advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1. De gronden van de beslissing
Vaststaat dat de moeder en de vader een affectieve relatie met elkaar hebben gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats]. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige]. Feitelijk verblijft [minderjarige] bij de vader.
Bij vonnis in kort geding van 3 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd en dat de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgelegd in die zin dat de moeder en [minderjarige] iedere vrijdag, zondag en woensdag voor drie uur contact hebben, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt op de vrijdagen en zondagen en de moeder op woensdagen naar de vader gaat. Daarnaast is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de gewenste hoofdverblijfplaats en de zorgregeling en daarover de rechtbank en partijen in de bodemprocedure bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/687116 / FA RK 25-4591 te rapporteren en advies uit te brengen.
De moeder vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven en na vermindering van eis ter zitting, de vader te veroordelen tot nakoming van een door de voorzieningenrechter nader vast te stellen voorlopige zorgregeling, althans de zorgregeling die is vastgelegd door de voorzieningenrechter in het vonnis van 3 juli 2025 uit te breiden naar een zorgregeling waarbij met opbouw wordt toegewerkt naar een regeling waarbij [minderjarige] van woensdag 12:30 uur tot zondag 19:00 uur bij de moeder is. Ook vordert zij de vader te veroordelen in de proceskosten.
De vader voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter onbevoegd is. Voor zover de voorzieningenrechter daaraan voorbij gaat, kan hij zich niet vinden in de door de moeder voorgestelde uitbreiding van de zorgregeling.
Gelet op het kort geding van 18 juni 2025 dat ook in Den Haag is gevoerd, het lopende raadsonderzoek dat wordt uitgevoerd door de Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag en het feit dat de bodemprocedure door de vader ook bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding de zaak te verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland. Het enkele feit dat [minderjarige] inmiddels staat ingeschreven in [plaats] maakt het oordeel niet anders. Dat klemt te meer nu die inschrijving heeft plaatsgevonden zonder medeweten en toestemming van de moeder.
De voorzieningenrechter volgt de moeder in haar stelling dat uitbreiding van de zorgregeling passend is. Het verweer van de vader dat hij het raadsonderzoek wil afwachten omdat hij de moeder onvoldoende vertrouwt wordt gepasseerd. De bij de vader bestaande zorgen kunnen op andere wijze worden ondervangen. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat de beperkte zorgregeling die is vastgelegd bij vonnis van 3 juli 2025 nu wordt uitgebreid. Op dit moment hebben [minderjarige] en de moeder drie dagen per week voor slechts drie uur lang contact met elkaar, terwijl niet is gebleken dat die contacten niet goed verlopen. Deze contactmomenten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter inmiddels dan ook te kort, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige]. Het is van belang dat de moeder haar zorgtaken voor een langere aaneengesloten periode kan uitvoeren, en zo ook de binding met [minderjarige] kan versterken. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat [minderjarige] en de moeder voorlopig op dinsdag, vrijdag en zondag 8 uur per dag contact hebben. Een overnachting, zoals de moeder heeft gevraagd, acht de voorzieningenrechter – mede gelet op het lopende raadsonderzoek en het onderlinge wantrouwen – nog niet aan de orde. Het is belangrijk dat er meer rust komt en dat deze aangepaste zorgregeling eerst door beide ouders goed wordt nagekomen. De voorzieningenrechter zal verder bepalen dat het halen en brengen evenredig moet worden verdeeld tussen de ouders waarbij zij rekening moeten houden met de files bij het bepalen wie [minderjarige] brengt en haalt, zodat [minderjarige] zo kort mogelijk in de auto zit. Verder mogen de ouders elkaar over en weer incidenteel verplichten om een drugstest te doen. Op deze manier kunnen de zorgen van de vader over gesteld (maar door de moeder betwist) drugsgebruik worden weggenomen, en wordt aan de moeder in het kader van gelijkwaardigheid dezelfde mogelijkheid geboden. Omdat de communicatie op dit moment niet goed verloopt tussen de ouders zal gebruik gemaakt gaan worden van een contactapp waar de ouders alleen zakelijk mogen communiceren over punten betreffende de zorgregeling, bijvoorbeeld als er vertraging is bij het ophalen en brengen van [minderjarige]. Buiten de zorgregeling om is het van belang dat de ouders voorlopig geen direct contact met elkaar hebben zodat de rust kan terugkeren. Zo nodig kunnen zij zich tot hun advocaat wenden voor andere punten die bespreking behoeven en kan verdere discussie in de bodemprocedure plaatsvinden.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat de vader de in dit vonnis bepaalde zorgregeling in het belang van [minderjarige] correct zal nakomen.
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, wordt bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
2. De beslissing
De voorzieningenrechter – met wijziging in zoverre van het vonnis van 3 juli 2025 – :
wijzigt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de moeder en [minderjarige] vanaf heden op dinsdag, vrijdag en zondag 8 uur per dag contact hebben met elkaar, waarbij de ouders het halen en brengen evenredig verdelen;
bepaalt dat de ouders voorafgaand aan de zorgmomenten incidenteel en op eigen kosten de andere ouder kunnen verplichten een drugstest uit te voeren;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. A.I. Knops mr. S.J. Hoekstra-van Vliet