Beschikking op de op 28 augustus 2024 en 1 mei 2025 ingekomen verzoeken van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Leenders in ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 30 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/684563 en FA RK 25-3287:
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een voorlopige omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen waarbij de kinderen als volgt bij de vader zijn:
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/672188 en FA RK 24-6470:
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/684563 en FA RK 25-3287:
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen, nu dezelfde verzoeken ook gedaan zijn in de bodemprocedure en deze gelijktijdig worden behandeld.
in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/672188 en FA RK 24-6470:
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt hem mede met het gezag over de kinderen te belasten. Hij wil graag invulling geven aan zijn vaderschap. Als de rechtbank van oordeel is dat gezamenlijk gezag nu nog niet mogelijk is, verzoekt de vader een beslissing daarover aan te houden in afwachting van het verloop van de hulpverlening.
De moeder voert verweer. Zij is van mening dat – gelet op het gewelddadige verleden en de stalking door de vader – het uitoefenen van gezamenlijk gezag niet mogelijk is. Er is heel veel gebeurd tussen partijen en op dit moment is er geen communicatie tussen hen. De vader kampt daarbij met zijn eigen problematiek waardoor hij deze verantwoordelijkheid niet kan dragen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. De rechtbank acht partijen hiertoe niet in staat. Zij hebben een belast verleden met elkaar met huiselijk geweld en tot op heden communiceren partijen niet met elkaar.
De rechtbank neemt daarnaast in overweging dat eerst statusvoorlichting moet plaatsvinden (waarover later meer). De situatie is heel complex waardoor het voor de vader ook niet mogelijk is om op dit moment samen met de moeder beslissingen te nemen over de kinderen. De rechtbank verwacht niet dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen en ziet daarom geen aanleiding om de beslissing ten aanzien van het gezag aan te houden. De rechtbank acht het zowel voor partijen als voor de kinderen noodzakelijk dat op dit punt duidelijkheid en rust bestaat.
Nu de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met gezag te belasten zal afwijzen, wordt in het vervolg gesproken over een omgangsregeling.
Omgang
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met het kind. De rechtbank stelt op grond van het tweede lid van artikel 1:377a BW, op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast, tenzij zich één of meer van de in dat artikel genoemde uitzonderingsgronden voordoen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat bij het einde van de relatie partijen mondeling een omgangsregeling hebben afgesproken die tot 2022 goed werd nageleefd, totdat een discussie is ontstaan over de kinderalimentatie. De vader geeft aan dat hij de afgelopen jaren flink aan zichzelf heeft gewerkt, zoals ook volgt uit de verslagen van Fivoor. Hij mist de kinderen en wil graag weer omgang met ze. De vader verzoekt daarom een opbouwende regeling waarbij wordt gestart met videobellen en uiteindelijk wordt toegewerkt naar een weekendregeling.
De moeder voert verweer. Tijdens de relatie van partijen is volgens haar sprake geweest van huiselijk geweld. Verschillende instanties zoals de politie en Veilig Thuis zijn hiervan op de hoogte. De moeder vreest daarom voor de veiligheid van zichzelf en van de kinderen en is van mening dat er niet zomaar een omgangsregeling vastgesteld kan worden. Daarnaast weten de kinderen niet van het bestaan van de vader, en dat haar huidige partner dus niet de biologische vader is van de kinderen. De moeder is van plan dit te bespreken als de kinderen van de basisschool naar de middelbare school gaan. Zij is van mening dat dit moet worden verteld aan de kinderen op een zorgvuldige manier en als zij een stuk ouder zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment groeien de kinderen op bij de moeder en haar partner die ze als hun vader beschouwen. De kinderen weten niet dat zij een andere vader hebben. Er is sprake van een ernstig wantrouwen van de moeder richting de vader. Partijen hebben een turbulente relatie gehad waarbij volgens de moeder sprake is geweest van huiselijk geweld en stalking. Daarbij zijn aan de vader bijzondere voorwaarden opgelegd wegens een voorwaardelijk veroordeling (die niet te maken heeft met de moeder). De vader woont op dit moment begeleid, ontvangt ambulante hulpverlening en moet meewerken aan middelencontrole en het aflossen van schulden. Dit alles maakt de situatie erg ingewikkeld. De rechtbank is tegelijkertijd van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij weten wie hun vader is, en dat daarom op korte termijn moet worden gestart met statusvoorlichting.
De rechtbank overweegt dat het een grote verandering voor de kinderen is, als zij de voorlichting krijgen over hun biologische vader, en dat dit ook veel van de moeder zal vragen. Deze voorlichting moet eerst en zorgvuldig gebeuren. Hoewel de rechtbank de wens van de vader tot vastlegging van een omgangsregeling voorstelbaar vindt, is gelet op de complexe situatie naar het oordeel van de rechtbank nog te vroeg om zich hierover uit te laten. Na de statusvoorlichting moet via Omgangsbegeleiding bekeken worden in welke vorm de omgang kan worden opgestart. Beide ouders hebben op de zitting aangegeven open te staan voor dit traject. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan omgangsbegeleiding, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemde trajecten. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt partijen om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject (in het bijzonder de statusvoorlichting) indient op de hierna vermelde wijze. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Daarbij wenst de rechtbank dat de Raad antwoord geeft op de vraag of omgang tussen de vader en de kinderen in hun belang is, en op welke wijze deze omgangsregeling moet worden vormgegeven. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de beslissing over de omgangsregeling pro forma aanhouden voor de duur van zes maanden.
BeslissingDe rechtbank:
*
wijst de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezag en tot het treffen van voorlopige voorzieningen af;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader)
wonende aan de [adres 1] ([postcode 1]) in [woonplaats 1],
en
[de moeder] (de moeder)
wonende aan de [adres 2] ([postcode 2]) in [woonplaats 2],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject (inclusief de statusvoorlichting), met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het
hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan in afwachting van het verloop van de hulpverlening tot 1 mei 2026 pro forma.