Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.N. Baldew in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.E. de Geus in ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 30 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Toevertrouwing [minderjarige]
De vrouw verzoekt om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet gebleken is dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen.
De vrouw voert – verkort weergegeven – het volgende aan. De huidige situatie waarbij beide partijen in de woning wonen is niet meer houdbaar omdat sprake is van psychische druk, verbale agressie en intimidatie door de man richting de vrouw. Dit zorgt voor een onveilige omgeving voor [minderjarige] en de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw geen alternatief. In de zomervakantie heeft zij weliswaar zeven weken in het huis van haar ouders verbleven terwijl zij met vakantie waren, maar de woning is te klein om voor langere periode met [minderjarige], haar ouders en andere familieleden daar te verblijven. De man kan daarentegen bij zijn moeder terecht. Zij heeft een groot appartement. Verder zou de man bij zijn broer kunnen wonen omdat hij daar voor het huwelijk van partijen ook heeft gewoond.
De man voert verweer. Hij is van mening dat de vrouw de woning moet verlaten omdat zij bij haar ouders in [plaats 2] terecht kan met [minderjarige]. Daarnaast is de man gebonden aan de regio [regio] vanwege zijn werk en is hij financieel in staat om de vaste lasten van de woning te voldoen, in tegenstelling tot de vrouw. Na de echtscheiding wil de man graag in de woning blijven wonen terwijl de vrouw de wens heeft om te verhuizen naar [plaats 2]. De man stelt daarnaast dat hij niet bij zijn moeder kan verblijven omdat zij bang is voor deurwaarders als gevolg van de hoge huwelijkse schulden van partijen.
Het is de rechtbank gebleken dat de onderlinge verhouding tussen partijen slecht is en dat zij niet meer gezamenlijk in de echtelijke woning kunnen verblijven. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken, en beoordelen welke partij op dit moment het meeste belang heeft bij verblijf in de woning.
De rechtbank zal bepalen dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt toegekend aan de vrouw, en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de man ligt om in het kader van deze voorlopige voorziening de zorgen over de beslagen en deurwaarders bij zijn moeder weg te nemen. Daarnaast is op de zitting toegelicht dat het appartement een extra slaapkamer heeft waar de man zou kunnen verblijven. De rechtbank acht van belang dat de man, de vrouw en [minderjarige] met deze voorziening in dezelfde stad blijven wonen, wat de omgang ondersteunt.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen. Ook het verzoek met betrekking tot de sterke arm zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Uit de toelichting op de tekst van artikel 822, eerste lid, aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het hieronder te geven bevel zelf al de titel verschaft om tot ontruiming van de echtelijke woning met behulp van de sterke arm over te gaan. De verzochte machtiging is daarvoor niet noodzakelijk.
Voorlopige zorgregeling
De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij [minderjarige] en de man twee keer per week een uur op afspraak en onder toezicht van de vrouw contact met elkaar hebben. De vrouw heeft zorgen over de opvoedvaardigheden van de man en de veiligheid van [minderjarige] als hij bij de man is. Zij vindt het daarom belangrijk dat er de komende periode onder begeleiding contact is.
De man voert verweer. Hij betwist de stellingen van de vrouw dat hij niet goed voor [minderjarige] zou zorgen. De man wil juist graag zijn vaderrol vervullen en frequent contact hebben met [minderjarige], maar stelt dit wordt belemmerd door de vrouw. De man verzoekt een zorgregeling waarbij [minderjarige] iedere woensdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij hem is, zodat hij iedere week contact heeft met [minderjarige].
De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij wordt toegewerkt naar een overnachting. De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact onder begeleiding van een vrouw of derde te laten plaatsvinden. Hoewel de man wellicht hulp nodig heeft bij het verzorgen en opvoeden van zijn eerste kindje, acht de rechtbank de man hiertoe in staat met behulp van zijn netwerk. De rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij [minderjarige] iedere woensdag en vrijdag vanaf 13:30 uur tot 17:00 uur – vlak voorafgaand aan het slaapje in de namiddag – bij de man is. Na twee maanden wordt uitgebreid naar een overnachting op de vrijdag tot zaterdag 12:00 uur. Op deze manier kan de man een grotere vaderrol vervullen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Op de zitting is verder gebleken dat hulpverlening vanuit Kracht ingezet gaat worden. De rechtbank overweegt dat partijen bij Kracht moeten kijken of er hangende de echtscheidingsprocedure ruimte en draagvlak is voor een verdere uitbreiding van de zorgregeling.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen van € 250,- per maand. Volgens haar zou de man zelf voorgesteld hebben dit bedrag te betalen. De man voert verweer en stelt dat hij op dit moment geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen doordat hij € 500,- per maand aan gezamenlijke schulden aflost.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw onvoldoende onderbouwd is. De vrouw heeft geen behoefte gesteld, danwel een draagkrachtberekening overgelegd of inkomensgegevens van partijen ingediend. Om een voorlopige kinderalimentatie te berekenen heeft de rechtbank inzage nodig in de financiële situatie van partijen.
Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat sprake is van enige behoefte. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking, een minimale bijdrage zal betalen van € 25,- per maand.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ([postcode]) in [plaats 1], en beveelt dat de man die woning dient te verlaten en niet verder mag betreden;
*
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig contact heeft met de man:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 25,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.