Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. El Khattouti te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 16 juni van de vrouw, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens verzoekschrift.
Op 20 juni 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door waarnemend advocaat mr. J.S. Jordan en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ([postcode]) te [plaats], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] gedurende de helft van de tijd bij de man zal blijven, met als wisselmoment zondag 17.00 uur;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.556,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van datum indiening verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 655,- per maand wordt vastgesteld ten behoeve van [minderjarige], met ingang van datum indiening verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het uitsluitend gebruik van de woning en de toevertrouwing van [minderjarige] – verweer tegen het overige, welke hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de vrouw de man zijn persoonlijke eigendommen zal overhandigen
binnen een week na datum beschikking of de man eenmalig toegang zal verschaffen tot de echtelijke woning zodat de man weer kan bezitten over zijn persoonlijke eigendommen;
- te bepalen dat de man met ingang van datum beschikking, voorlopig aan de vrouw zal betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 264,- per maand;
- primair: de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.556, - per maand vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift af te wijzen;
- subsidiair: de door de man berekende partneralimentatie toe te wijzen voor een termijn gelijk aan de helft van de duur van het geregistreerd partnerschap, te weten één maand vanaf de datum beschikking; dan wel een bedrag en een termijn vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
- te bepalen dat de kinderen voorlopig bij de man zullen zijn:
- iedere week van vrijdag 20.00 tot zondag 20.00 uur;
- de helft van alle vakanties, in onderling overleg te regelen, dan wel een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning en toevertrouwing [minderjarige]
De vrouw verzoekt aan haar het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te kennen en [minderjarige] voor de duur van de procedure aan haar toe te vertrouwen. De man heeft eind februari 2025 de echtelijke woning verlaten en verblijft bij zijn ouders. De vrouw verblijft met [minderjarige] in de echtelijke woning en verzoekt dit te formaliseren. De man heeft geen bezwaar tegen het toewijzen van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw en refereert zich aan het verzoek van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen.
De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw als op de wet gegrond, niet weersproken en in het belang van [minderjarige] toewijzen.
Voorlopige zorgregeling
Partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige] voorlopig ieder weekend van vrijdag 20.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man zal zijn. De vrouw brengt [minderjarige] op vrijdag naar de man en de man brengt [minderjarige] op zondag weer terug naar de vrouw.
De rechtbank zal deze voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] vastleggen.
Persoonlijke goederen
De man heeft een verzoek gedaan tot afgifte van zijn persoonlijke eigendommen uit de echtelijke woning. Op de zitting hebben partijen verteld dat zij overeen zijn gekomen dat de man zijn persoonlijke spullen van de vrouw zal krijgen, zodat de rechtbank op dit verzoek niets meer te beslissen heeft.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw en de man verzoeken een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Verder neemt de rechtbank bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige] aan de hand van de gegevens van partijen en tarieven van 2025-1. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun geregistreerd partnerschap worden bepaald.
NBI man
Het NBI van de man berekent de rechtbank aan de hand van de door hem ingediende gegevens als winst uit onderneming van 2024. Van het jaar 2025 zijn nog geen gegevens bekend. De rechtbank gaat uit van de winst uit onderneming in 2024 van € 87.707,-. De rechtbank berekent het NBI van de man op basis daarvan op € 4.755,- per maand.
NBI vrouw
Het NBI van de vrouw berekent de rechtbank aan de hand van de door haar ingediende jaarinkomen van 2024 van € 4.428,-. Net als de vrouw berekent de rechtbank haar NBI op basis daarvan op € 369,- per maand.
NBGI
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt dus € 5.124,- per maand (€ 4.755,- + € 369,-). Op basis van dit NBGI hebben partijen geen recht op kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 369,- per maand voor [minderjarige] in 2025.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man
De man stelt dat voor bepaling van zijn draagkracht met het gemiddelde van zijn jaarinkomens van 2023 en 2024 gerekend moet worden, waarbij hij in 2023 een inkomen uit loondienst had van € 28.181,- en een winst uit onderneming van € 29.670,-. In 2024 had hij een winst uit onderneming van € 87.707,-. De vrouw voert aan dat voor het berekenen van het gemiddelde rekening gehouden moet worden met drie opeenvolgende jaren. Dit is gebruikelijk en representatiever. Omdat het inmiddels juni 2025 is, stelt zij dat uitgegaan moet worden van de gegevens van 2023, 2024 en 2025. De man stelt dat van het jaar 2025 nog geen gegevens bekend zijn. Verder is het volgens de man te verwachten dat op basis van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) zijn bedrijfsresultaat van 2025 uiteindelijk minder zal worden.
De rechtbank zal voor de draagkrachtberekening van de man uitgaan van zijn gemiddelde inkomen en winst uit onderneming van 2023 en 2024. Met de man is de rechtbank van oordeel dat het resultaat van 2025 nog niet kan worden betrokken in de berekening omdat hierover nog geen gegevens bekend zijn. De gevolgen van de Wet DBA voor de man zijn nog ongewis. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met eventuele nadelige gevolgen van de Wet DBA.
De rechtbank zal de berekening van de man volgen en berekent op basis daarvan zijn NBI op € 4.799,- per maand.
De man stelt zich in de stukken op het standpunt dat voor zijn draagkracht met zijn werkelijke woonlasten van tussen de € 1.200,- en € 1.400,- per maand gerekend moet worden, omdat hij ook de huurlasten van de echtelijke woning draagt. Op de zitting heeft de man gesteld dat van zijn woonbudget van 30% van zijn NBI uitgegaan moet worden. De vrouw betwist dit en stelt dat er voor € 0,- per maand aan huurlasten voor de man gerekend moet worden omdat hij nu bij zijn ouders woont.
De rechtbank zal in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure uitgaan van het gebruikelijke woonbudget. Hoewel de man bij zijn ouders inwoont, is het ook in het belang van [minderjarige] dat de man snel een eigen woonruimte vindt. De rechtbank rekent daarom met het gebruikelijke woonbudget.
De man heeft daarnaast aangevoerd een extra maandelijkse last te hebben van € 63,79 ten behoeve van aflossing van een schuld. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.390,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de draagkrachtberekening van de vrouw gaat de rechtbank uit van het volgende. De vrouw heeft aangegeven dat [minderjarige] drie dagen per week naar de kinderopvang gaat en dat zij deze drie dagen voor acht uur per dag beschikbaar is om te werken via een detacheringsbedrijf. Zij werkt via het detacheringsbedrijf in de thuiszorg en haar maandloon is wisselend omdat zij niet elke maand hetzelfde aantal uren werkt. Zij verdient het minimumloon van € 14,59 per uur. In een jaar betekent dit dat zij afgerond € 18.208,- euro per jaar bruto kan verdienen (€ 14,59 x 8 uur x 3 dagen x 52 weken). De rechtbank zal daarom een bruto jaarloon van € 15.000,- hanteren, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit inkomen redelijkerwijs ook elders kan verdienen in het geval zij onvoldoende ingeroosterd blijft worden.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van vorenstaande berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.350,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2025) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.415,- per maand (€ 1.390,- + € 25,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.390 / 1.415 x 696 = € 684,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 25 / 1.415 x 696 = € 12,-
samen € 696,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 684,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 12,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 174,- per maand (25% van € 696,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 510,- per maand (€ 684,- -/- € 174,-).
Ingangsdatum
De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen per de datum van deze beschikking, omdat de man tot nu de vaste lasten heeft betaald.
Voorlopige partneralimentatie
Voorvraag: rechtsgrond om partneralimentatie vast te stellen
Partijen hadden sinds 2021 een affectieve relatie met elkaar. Daarna is in 2022 [minderjarige] geboren. Het rolpatroon tussen partijen was dat de vrouw grotendeels de zorg voor [minderjarige] op haar nam en weinig werkte, waardoor zij in haar relatie met de man – die in januari 2025 is geformaliseerd met een geregistreerd partnerschap – minder verdiencapaciteit had en op dit moment nog steeds heeft. Partneralimentatie dient ervoor om deze verminderde verdiencapaciteit te compenseren. Gelet hierop en het feit dat partijen al sinds 2021 een affectieve relatie hebben en er sindsdien sprake was van lotsverbondenheid, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat het niet redelijk is om partneralimentatie vast te stellen vanwege de korte duur van het geregistreerde partnerschap.
Termijn van de vast te stellen partneralimentatie
Op grond van artikel 1:157 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege indien de rechtbank geen termijn vaststelt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk (of geregistreerd partnerschap) met een maximum van vijf jaren. Op grond van het vierde lid van dit artikel eindigt deze verplichting in afwijking van het eerste tot en met derde lid niet eerder dan op het tijdstip waarop de uit het huwelijk van de echtgenoten geboren kinderen de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.
De man stelt zich op het standpunt dat van de uitzondering van het vierde lid geen sprake is, omdat [minderjarige] niet uit het huwelijk c.q. het geregistreerd partnerschap geboren is. Volgens hem is de maximale termijn voor partneralimentatie dus niet langer dan de helft van de duur van het geregistreerd partnerschap, te weten maximaal één maand. De vrouw betwist dit en vraagt zich af of dit vraagstuk in de voorlopige voorziening aan de orde moet komen omdat het geregistreerd partnerschap nog voortduurt tot de ontbinding wordt uitgesproken. Volgens haar is wel sprake van de uitzondering van het vierde lid. Dat [minderjarige] voor het geregistreerd partnerschap is geboren doet hier niet aan af.
De rechtbank overweegt met de vrouw dat de uitzondering van het vierde lid van artikel 1:157 BW geldt, omdat [minderjarige] uit het geregistreerd partnerschap is geboren. Het maakt hierbij niet uit dat hij voor het geregistreerd partnerschap is geboren. Immers, als de familierechtelijke betrekking van dit kind met de andere ouder vast is komen te staan voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap, geldt [minderjarige] als een kind dat ‘uit het geregistreerd partnerschap’ is geboren. Dit betekent dat er in beginsel een partneralimentatie vastgesteld kan worden tot het twaalfde levensjaar van [minderjarige]. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is het ook aannemelijk dat de vrouw tot die tijd niet haar volledige verdiencapaciteit kan uitbouwen omdat – mede gelet op de vastgestelde voorlopige zorgregeling – zij naar verwachting de komende jaren hoofdzakelijk de zorg van [minderjarige] zal dragen.
Behoefte vrouw
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. De rechtspraak heeft de hofnorm als een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie. De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 5.124,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.428,- per maand (€ 5.124,- -/- € 696,-) beschikbaar is voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 2.657,- netto per maand (60% van € 4.428,- per maand).
Aanvullende behoefte vrouw
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.428,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.307,- netto per maand. Dat is € 2.281,- bruto per maand.
Draagkracht man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie. Voor kinderalimentatie heeft de man een NBI van € 4.799,-. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.191,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 684,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 507,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 810,- per maand. De rechtbank zal dit vaststellen eveneens per datum beschikking vastleggen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] ([postcode]) te [plaats] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben iedere week van vrijdag 20.00 uur tot zondag 20.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag naar de man brengt en de man [minderjarige] op zondag naar de vrouw terugbrengt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige](bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 510,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 810,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.