[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 18 mei 2024.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De minister moet in principe binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. Deze gold tot en met 8 juli 2024.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur is ingediend, omdat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen nog niet was verstreken gelet op het BVM. Met het BVM is de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Soedan verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
4. De rechtbank volgt de minister niet en overweegt als volgt. De grondslag voor het BVM ligt in de Vw, waarin bepalingen van de Procedurerichtlijn zijn geïmplementeerd. Op basis van deze bepalingen kunnen lidstaten een besluit in individuele gevallen uitstellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst. Gelet hierop zal de rechtbank de term “verlengen” opvatten als opschorten. Er is geen sprake van verlengen zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de Vw.
5. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst dermate complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en is de minister verplicht weer besluiten te nemen. Dat de wet en het BVM zelf over “verlengen” spreken in plaats van “opschorten” doet hieraan niets af. Nu de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet, komt daaraan naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe. 6. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd.7. In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 18 mei 2024 is ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025.
Elektronische ingebrekestelling
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de minister op 18 augustus 2024 per elektronische weg in gebreke heeft gesteld. De minister heeft bij brief van 21 augustus 2025 de ontvangst van de ingebrekestelling op 18 augustus 2025 bevestigd. In de ontvangstbevestiging is een standaardtekst opgenomen waarin is vermeld dat een ingebrekestelling moet worden ingediend per post of via ‘veilig mailen’ op ind.nl. Een via een andere weg ingediende ingebrekestelling is niet geldig en wordt door de minister niet in behandeling genomen. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van de ingebrekestelling per elektronische weg niet zonder meer betekent dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025. Daarbij hecht de rechtbank veel waarde aan het feit dat de minister de ontvangst van de elektronische ingebrekestelling nadrukkelijk heeft bevestigd, zonder te motiveren dat en waarom deze in het geval van eiser niet geldig is. De algemene tekst die hierover in de ontvangstbevestiging is opgenomen volstaat niet. 9. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ingebrekestelling, ingediend na ommekomst van de beslistermijn, dan ook geldig. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
10. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. In dit geval heeft op 11 maart 2025 een nader gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen, die begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
11. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
12. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
14. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.