Vervangende toestemming reizen en aanvraag Braziliaans paspoort
Beschikking op het op 9 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.A. van de Velde.
Als informant is opgeroepen:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 2 juli 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder en vader bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna: de jeugdbeschermer).
Na de zitting van 2 juli 2025 heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van 3 juli 2025 van de moeder;
- het F9-formulier van 3 juli 2025 van de vader, met bijlage;
- het F9-formulier van 4 juli 2025 van de vader, met bijlagen;
- de brief van de jeugdbeschermer van 4 juli 2025;
- het F9-formulier van 8 juli 2025 van de moeder;
- het F9-formulier van 8 juli 2025 van de vader.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit en [minderjarige] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit blijkens de BRP.
- Bij beschikking van 20 augustus 2024 zijn voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover hier van belang – inhoudende dat:
- de moeder voor [minderjarige] zorgt in de even weken van donderdag uit de opvang/school tot zaterdag 18.00 uur en in de oneven weken van donderdag uit de opvang/school tot zondag 10.00 uur;
- Bij beschikking van 17 april 2025 van deze rechtbank is de echtscheiding uitgesproken en zijn – voor zover hier van belang – de verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie aangehouden.
- Bij beschikking van 13 juni 2024 van deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot 13 juni 2025.
- Bij beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling verlengd tot 13 juni 2026.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek:
- dat de rechtbank toestemming verleent die de toestemming van de vader vervangt om met [minderjarige] tussen 20 juli 2025 en 23 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 met het vliegtuig naar Brazilië te reizen;
- een Braziliaans paspoort voor [minderjarige] aan te vragen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft hij verzocht de proceskosten conform vast gebruik van de rechtbank in familiezaken te compenseren.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming om met [minderjarige] naar Brazilië op vakantie te gaan en tot aanvraag van een Braziliaans paspoort.
Vervangende toestemming reizen Brazilië
De moeder wenst met [minderjarige] tussen 20 juli 2025 en 23 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 naar Brazilië te reizen om familie van de moeder te bezoeken. De moeder stelt dat de ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] van 19 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 bij de moeder verblijft. Zij wil daarom in die periode met [minderjarige] naar Brazilië. Sinds 2023 heeft de moeder haar familie niet meer gezien en [minderjarige] heeft hen sinds 2021 niet meer gezien. De moeder benadrukt dat zij geen reden heeft om niet terug te komen vanuit Brazilië met [minderjarige] . Ze heeft hier in Nederland een vast contract bij kledingwinkel WE en een partner waarmee ze samenwoont. De ouders kunnen het weliswaar niet eens worden over de zorgverdeling van [minderjarige] , maar de moeder is van mening dat nu de echtscheiding is uitgesproken, het tijd is om de situatie te normaliseren. Daar hoort een vakantie bij. [minderjarige] heeft daarnaast recht op het vormen van een band met zijn familie in Brazilië en dit houdt de vader nu tegen, aldus de moeder.
De vader verweert zich. Hij betwist dat hij met moeder heeft afgesproken dat [minderjarige] van 19 juli 2025 tot 9 augustus 2025 bij de moeder zou verblijven en stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de reis naar Brazilië momenteel te veel vergt van [minderjarige] vanwege zijn bijzondere behoeften en zijn kwetsbare ontwikkeling. De vader vindt dat een verre reis naar een voor [minderjarige] onbekend land, in een nieuwe sociale context met voor hem onbekende (volwassen) familieleden zijn hechtingsproblematiek waarschijnlijk zal verergeren. De vader vindt dit een groot risico en acht het onverantwoord om [minderjarige] hieraan bloot te stellen. De vader heeft het gevoel dat de moeder de ernst en complexiteit van de problematiek van [minderjarige] niet volledig onderkent. De vader benadrukt daarnaast dat de beoogde reisperiode van de moeder de uitloopperiode van ‘zorg op maat’ van het speciaal onderwijs van [minderjarige] doorkruist. De vader stelt dat het voor [minderjarige] essentieel is om de uitloopperiode van 19 juli tot en met 3 augustus 2025 te doorlopen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders en de jeugdbeschermer besproken in hoeverre het in het belang van [minderjarige] is om de uitloopperiode van ‘zorg op maat’ te doorlopen in zijn overgang van school naar de zomervakantie. De vader heeft beargumenteerd dat de uitloopperiode essentieel is. Volgens de moeder is de uitloopperiode niet verplicht gesteld door school en dus niet van essentieel belang. Zij vindt dat het aan de ouder is bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft, om te beslissen of [minderjarige] de uitloopperiode zal doorlopen. De rechtbank heeft de jeugdbeschermer gevraagd bij school van [minderjarige] te informeren of het essentieel is dat [minderjarige] de uitloopperiode doorloopt.
Bij de brief van 4 juli 2025 heeft de jeugdbeschermer aangegeven dat de eerste twee weken zorg op maat voornamelijk geboden wordt om structuur te bieden aan kinderen voor wie zes weken geen onderwijs te lang is om zelf de structuur te behouden. In de laatste twee weken van de zomervakantie, van 18 augustus tot 26 augustus 2025, wordt zorg op maat aangeboden aan als wenperiode voor kinderen in verband met nieuwe kinderen die starten na de vakantie. De jeugdbeschermer vindt het voor [minderjarige] niet noodzakelijk de eerste weken van de zomervakantie het zorg op maat-programma te volgen. [minderjarige] heeft in de meivakantie namelijk laten zien dat hij zelf in staat is de structuur weer op te pakken. Voor de laatste twee weken adviseert de jeugdbeschermer wel om [minderjarige] te laten deelnemen. [minderjarige] is namelijk de enige van zijn groep kinderen die op dezelfde groep blijft. Verder starten er alleen nieuwe kinderen. Een wenperiode vóór het schooljaar kan er dan voor zorgen dat [minderjarige] rustig went aan de nieuwe kinderen.
Gelet op het advies van de jeugdbeschermer zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen. Het is in het belang van [minderjarige] om op vakantie te gaan en om zijn familie in Brazilië weer te zien om ook met hen een (sterkere) band te vormen. Nu de jeugdbeschermer heeft aangegeven dat het voor [minderjarige] niet noodzakelijk is om de eerste twee weken van de zomervakantie deel te nemen aan het zorg op maat-programma en dit dus niet de reisperiode van de moeder doorkruist, ziet de rechtbank geen reden om de moeder de vervangende toestemming te onthouden. Wat de zorgen van de vader betreft over de kwetsbaarheid van [minderjarige] en het risico dat de verre reis te veel voor [minderjarige] zou zijn, heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende deze reis aan deze bijzondere behoeften kan beantwoorden. Verder is niet gebleken van aanwijzingen dat de moeder niet zal terugkeren vanuit Brazilië met [minderjarige] . De rechtbank wijst daarom dit verzoek van de moeder toe.
Vervangende toestemming aanvraag paspoort
Voor het reizen met [minderjarige] naar het buitenland heeft de moeder het paspoort van [minderjarige] nodig. De moeder is bang dat de vader het paspoort niet zal afgeven aan de moeder. De moeder ziet zich daarom genoodzaakt om een Braziliaans paspoort voor [minderjarige] aan te vragen zodat de vader de vakantieplannen niet nog op het laatste moment kan blokkeren.
De vader vindt dat er voor het aanvragen van een Braziliaans paspoort momenteel geen enkele praktische noodzaak bestaat. De moeder kan naast haar verzoek tot vervangende toestemming voor de reis ook een verzoek doen tot afgifte van het Nederlandse paspoort van [minderjarige] . De vader stelt dat indien de moeder niet terugkomt met [minderjarige] , de vader geen juridische mogelijkheden heeft om zijn terugkeer af te dwingen als [minderjarige] een Braziliaans paspoort heeft.
Op de zitting is besproken dat de vader de dag na de zitting het Nederlandse paspoort aan de moeder zal afgeven. Op 3 juli 2025 hebben beide ouders de rechtbank bericht dat de moeder het paspoort van [minderjarige] aan de vader heeft afgegeven. Gebleken is alleen dat het paspoort per 13 augustus 2025 zal verlopen, waardoor de moeder niet buiten Europa met dit paspoort met [minderjarige] kan reizen. De ouders hebben laten weten een spoedaanvraag voor de verlenging van het paspoort te hebben gedaan. De moeder heeft vervolgens het nieuwe paspoort op 7 juli 2025 bij het gemeentehuis opgehaald.
De moeder heeft op 8 juli 2025 bij haar verzoek gepersisteerd en aangevoerd dat zij wil dat beide ouders in de toekomst een paspoort van [minderjarige] hebben zodat hier geen gedoe meer over kan ontstaan. In het kader van hoor en wederhoor zal de rechtbank deze nieuwe onderbouwing van het verzoek buiten beschouwing laten.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder afwijzen. De rechtbank overweegt dat het momenteel niet noodzakelijk is om voor [minderjarige] een Braziliaans paspoort aan te vragen. De vader heeft, zoals afgesproken op de zitting, het paspoort aan de moeder afgegeven en in samenspraak met haar een spoedaanvraag voor de verlenging hiervan bewerkstelligd. De moeder heeft vervolgens het nieuwe paspoort opgehaald bij de gemeente.
De rechtbank vindt het positief dat ouders dit samen hebben kunnen regelen en hoopt dat zij deze positieve ontwikkeling kunnen doorzetten in het te volgen traject ouderschapsbemiddeling.
Proceskosten
Gelet op het feit het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , voor de periode tussen 20 juli en 23 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 op vakantie te gaan naar Brazilië en aldaar te verblijven;
*
wijst het verzoek van de moeder tot het aanvragen van een Braziliaans paspoort voor [minderjarige] af;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.