ECLI:NL:RBDHA:2025:25097

ECLI:NL:RBDHA:2025:25097, Rechtbank Den Haag, 04-08-2025, C/09/672498 / FA RK 24-6620

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-08-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer C/09/672498 / FA RK 24-6620
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Voorlopige zorgregeling met verzoek raadsonderzoek, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap. Verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten aangehouden in afwachting van raadsonderzoek.

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 10 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.K.P.K. el Fadili te Oegstgeest.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.S. Ganga te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

1. het verzoekschrift van 10 september 2024 met producties 1-6;

2. het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift 11 december 2024 met producties 1-22;

3. het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 8 januari 2024 met producties 7-41;

4. het F9-formulier van 5 maart 2025 van de vrouw met producties 23-26;

5. het F9-formulier van 16 april 2025 van de man met producties 42-50;

6. het F9-formulier van 4 juli 2025 van de man met producties 51-76;

7. het F9-formulier van 4 juli 2025 van de vrouw met producties 27-47;

8. het F9-formulier van 11 juli 2025 van de vrouw met producties 48-52;

9. het F9-formulier van 14 juli 2025 van de man met producties 77-80;

10. het F9-formulier van 15 juli 2025 van de man met producties 81-84;

11. het F9-formulier van 15 juli 2025 van de vrouw.

De minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt. [de minderjarige 3] heeft daarbij aan de kinderrechter een handgeschreven brief overhandigd.

Op 16 juli 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en tolk P.K. Sharma en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

In verband met tijdsgebrek is de mondelinge behandeling van 16 juli 2025 geschorst en op 21 juli 2025 voorgezet. Op 21 juli 2025 zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat. De rechtbank heeft de vrouw ook zonder tolk goed kunnen volgen en heeft zich ervan vergewist dat de vrouw de mondelinge behandeling in het Nederlands ook goed geeft kunnen volgen.

De rechtbank heeft het bezwaar van de vrouw tegen het tijdstip van indiening van de stukken van 14 en 15 juli 2025 gepasseerd. De vrouw heeft voldoende mogelijkheid gehad om adequaat te reageren op die stukken tijdens de uitgebreide mondelinge behandeling die over twee dagen was verspreid.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats] .

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] .

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- De kinderen verblijven feitelijk bij de vrouw.

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

- Deze rechtbank heeft op 18 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:

- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [postcode] [plaats] ;

- de man aan de vrouw een goed strekkend tot haar dagelijks gebruik, te weten de auto met kenteken [kenteken] , beschikbaar zal stellen;

- de vrouw voornoemde auto beschikbaar zal stellen aan de man op de dagen dat de man aantoonbare ziekenhuisafspraken van zijn ouders heeft, in onderling overleg tussen partijen af te stemmen;

- de minderjarige kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;

- de man voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij zich te hebben een dag per week van woensdag uit school tot donderdag naar school en om de week een weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij de opbouw van deze regeling plaats dient te vinden onder de regie van het Centrum voor Jeugd en Gezin;

- de man en de kinderen met elkaar zullen bellen volgens een onder regie van het CJG af te spreken regeling;

- de man aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 396,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man en dat de kinderen zijn adres volgen, subsidiair dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de man wordt vastgesteld en van [de minderjarige 3] bij de vrouw, meer subsidiair dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man wordt vastgesteld en die van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] bij de vrouw;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat zij in de oneven weken van zondag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man zullen zijn, alsmede de helft van de vakanties;

- doorverwijzing van partijen naar een door de rechtbank te bepalen Uniform Hulpverleningstraject teneinde de onderlinge communicatie als ouders te verbeteren en daarbij te bepalen dat partijen het daarin gegeven advies voor een eventueel individueel hulpverleningstraject dienen te aanvaarden;

- de Raad te gelasten een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen aan de rechtbank over het hoofdverblijf van de kinderen, een zorgregeling, de uitoefening van het gezag en de eventuele noodzaak van een jeugdbeschermingsmaatregel;

- een bijzondere curator te benoemen, met als opdracht het realiseren van contactherstel tussen de vader en de kinderen en te bepalen dat de curator aan de rechtbank daarover rapporteert en daarbij te bepalen dat, indien de vrouw niet meewerkt aan het contactherstel, zij een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag, zolang zij in gebreke blijft;

- te bepalen dat de vrouw, zolang er nog geen definitieve uitspraak is ter zake het hoofdverblijf en de zorgverdeling van de kinderen, de tijdelijke zorgregeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenbeschikking van één dag per week van woensdag uit school tot donderdag naar school, alsmede om het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school na te komen en daarbij te bepalen dat als de vrouw deze niet nakomt zij een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag, zolang zij in gebreke blijft;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man in de punten 10 t/m 11 in het lijf van het verzoekschrift van de man met aanvullend verzoek, zoals geformuleerd in punt 61 van het verweerschrift van de man van 8 januari 2025 en gewijzigd bij brief van 16 april 2025;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welke hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van alle kinderen bij de vrouw;

- de Raad te gelasten onderzoek te doen naar een zorgregeling voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;

- vaststelling van kinderalimentatie van € 495,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum van beschikking;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 578,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, zodra de woningen zijn overgedragen;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw zoals omschreven in het gewijzigd petitum van 4 juli 2025 (productie 47);

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert thans verweer, welke verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen omdat het partijen niet gelukt is om ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats kinderen

De man verzoekt te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij beide ouders zullen hebben en dat zij vooralsnog op zijn adres zullen worden ingeschreven in de BRP, omdat de vrouw nog geen vooruitzicht heeft op een woning voor de kinderen en niet te verwachten is dat zij dit op korte termijn zal hebben. Daarnaast zal de vrouw na de echtscheiding meer moeten gaan werken en niet meer altijd de zorg voor de kinderen op zich kunnen nemen. De man kan thuiswerken en zijn werk combineren met de zorg voor de kinderen. De man meent dat een raadsonderzoek aangewezen is om te onderzoeken wat het meest in het belang van de kinderen is.

De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij haar te bepalen. Partijen hadden een traditionele rolverdeling waarbij de vrouw voor de kinderen en het huishouden zorgde en de man de kostwinner was. Daarnaast stelt de vrouw dat dit beter aansluit bij de emotionele behoeften van de kinderen omdat de man volgens de vrouw de dochters achterstelt ten opzichte van de zoon van partijen.

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen. De vrouw is gedurende het huwelijk de hoofdverzorger van de kinderen geweest en de rechtbank ziet dit op korte termijn ook niet veranderen. De kinderen verblijven momenteel ook samen met vrouw in de echtelijke woning. De vrouw heeft dus woonruimte en de rechtbank verwacht niet, zoals verder in deze beschikking zal blijken, dat zij dakloos zal worden. Verder zal de rechtbank geen raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen gelasten, omdat zij niet inziet waarom de hoofdverblijfplaats bij de vrouw niet in het belang van de kinderen is. Daarnaast hebben de kinderen geen belang bij vertraging en juist wel belang om snel duidelijkheid te krijgen over hun hoofdverblijfplaats.

Zorgregeling

Kindgesprekken en standpunten partijen over hulpverlening

Tijdens het eerste deel van de mondelinge behandeling is met partijen het verloop van de kindgesprekken besproken, met toestemming van de kinderen. Uit de kindgesprekken is het beeld naar voren gekomen van kinderen die weerstand tegen het contact met de man hebben. Uit het kindgesprek met [de minderjarige 3] is ook naar voren gekomen dat zij heel graag met een psycholoog in gesprek wil, maar zij wil niet aangeven waarom. De vrouw staat hierachter. Volgens haar geeft de man hier geen toestemming voor. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven het met de vrouw eens te zijn dat [de minderjarige 3] op korte termijn hulp moet krijgen van een psycholoog en heeft hiervoor ondubbelzinnig zijn toestemming gegeven.

Ook het gesprek met [de minderjarige 1] is op de zitting besproken, onder andere dat de betrokken hulpverlening heeft gesuggereerd dat [de minderjarige 1] onderzocht moet worden om bepaalde aandoeningen uit te sluiten. De rechtbank begrijpt dat daarbij wordt gedacht aan een vorm van autisme. De man heeft verklaard zich te conformeren aan het advies dat Rondom Jou zal geven over onderzoek en hulpverlening. De vrouw wil voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ook psychologische hulp. Zij is het niet met Rondom Jou eens dat de problematiek van de kinderen enkel wordt geplaatst in het kader van loyaliteitsproblematiek en de complexe echtscheiding. Toch heeft de vrouw verklaard zich te conformeren aan het advies van Rondom Jou en dat op te volgen. Nadrukkelijk heeft zij wel gesteld dat Rondom Jou daarbij ook buiten de kaders van loyaliteits- en echtscheidingsproblematiek moet kijken.

Standpunten partijen ten aanzien van de zorgregeling

De man acht een co-ouderschapsregeling in het belang van de kinderen. In zijn processtukken beargumenteert hij uitgebreid dat hij vindt dat de vrouw hem ten onrechte beschuldigt van allerlei negatieve zaken. De man vindt het schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen dat de vrouw hen negatief beïnvloedt in het hebben van contact met hem. Volgens de man verkeren de kinderen in een loyaliteitsconflict en hij wil dat de Raad een onderzoek zal verrichten naar het contact met beide ouders en de noodzaak van een jeugdbeschermingsmaatregel. De man staat open voor hulpverlening om de verhouding met de vrouw te verbeteren. Hij heeft daarnaast verzocht een bijzondere curator te benoemen om uit te zoeken waarom de kinderen zich verzetten tegen contact.

De vrouw kan zich niet vinden in de door de man voorgestelde co-ouderschapsregeling en vindt dat de kinderen niet gedwongen moeten worden in het contact met de man. De vrouw acht het benoemen van een bijzondere curator te belastend voor de kinderen naast een raadsonderzoek en de hulp van een psycholoog.

De Raad heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling naar voren gebracht dat een raadsonderzoek geïndiceerd is. De Raad vindt het benoemen van een bijzondere curator daarnaast te belastend voor de kinderen, gelet op de reeds aanwezige hulpverlening voor de kinderen. De Raad heeft verder aangegeven geen aanleiding te zien om een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken zoals de man tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft geopperd. Volgens de Raad houdt de problematiek hoofdzakelijk verband met de echtscheiding en is op dit moment niet duidelijk welke hulpverlening daarvoor nodig is.

De rechtbank overweegt als volgt. Er is tussen de man en de kinderen inmiddels ongeveer acht maanden geen contact geweest. De rechtbank verzoekt in dit verband de Raad onderzoek te doen naar de vraag of een zorgregeling en contactherstel tussen de man en de kinderen in het belang van de kinderen is, en zo ja, hoe dit contactherstel tot stand zou moeten komen en hoe de zorgregeling er dan uit zou moeten zien. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het benoemen van een bijzondere curator gelijktijdig met een raadsonderzoek en de aanwezige hulpverlening van Rondom Jou te belastend is voor de kinderen, te meer omdat [de minderjarige 3] in het kindgesprek heeft aangegeven moe te worden van alle gesprekken met hulpverleners.

De rechtbank vindt het positief dat beide ouders toestemming hebben verleend voor psychologische hulpverlening aan [de minderjarige 3] en dat zij zich conformeren aan de adviezen voor nadere hulpverlening voor alle kinderen door Rondom Jou. Om de zorgen van de vrouw weg te nemen over Rondom Jou heeft de rechtbank met de ouders afgesproken dat er met hun toestemming een proces-verbaal van de mondelinge behandeling (tot aan de schorsing) op 16 juli 2025 naar Rondom Jou, de Raad en partijen verstuurd zal worden. Rondom Jou weet op die manier dan wat er omtrent dit onderwerp op de zitting is besproken. De rechtbank wijst beide ouders erop dat Rondom Jou handelt in het belang van alle partijen en juist de kinderen probeert verder te helpen.

Een definitieve beslissing over de zorgregeling zal de rechtbank pro forma aanhouden voor zeven maanden tot 1 maart 2026 in afwachting van het raadsonderzoek en het verdere verloop van de hulpverlening. Hoewel de rechtbank nu geen beslissing neemt, betekent dit niet dat de voorlopige zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 18 december 2024, kan worden uitgevoerd. Duidelijk is geworden dat dit niet mogelijk is, vanwege het ontbreken van draagvlak bij de kinderen.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinder- en partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 3] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. De rechtbank zal voor de behoefte uitgaan van de tarieven en gegevens van partijen van 2024-2. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.

NBI man

Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man € 4.462,- per maand bedroeg, gebaseerd op zijn bruto jaarinkomen van € 81.712,-. De rechtbank zal dit volgen.

NBI vrouw

De vrouw stelt geen inkomsten te hebben gehad. De man had eerst het standpunt ingenomen dat de vrouw inkomsten heeft als schoonheidsspecialist maar tijdens het eerste deel van de mondelinge behandeling heeft hij dit standpunt verlaten. De rechtbank zal daarom niet uitgaan van inkomsten als schoonheidsspecialist.

Huuropbrengsten

Partijen zijn in geschil of de tweede woning aan de [adres 2] te [plaats] netto huuropbrengsten heeft opgebracht waarbij in de behoefteberekening mee moet worden gehouden. De man stelt dat er geen netto huuropbrengsten waren in 2024, omdat er ook onderhoudsuitgaven zijn gedaan en er een rechtszaak tegen de huurder is gevoerd.

Duidelijk is geworden voor de rechtbank dat de tweede woning tot en met oktober 2024 is verhuurd. Uit de stukken volgt dat in 2024 voor tien maanden een totaalbedrag van € 7.420,- aan huurpenningen zijn ontvangen. De door de man overlegde betaalbewijzen van Hornbach en Sumup Plaagdierbestrijding zijn uit 2022 en 2023 en onderbouwen daarom niet het standpunt dat er in 2024 aanzienlijke onderhoudskosten voor de tweede woning zijn geweest. De rechtbank zal die kosten daarom niet in aanmerking nemen bij de berekening van de behoefte.

De rechtbank begrijpt uit de verklaringen van partijen dat tegen de toenmalige huurder een gerechtelijke procedure is gestart om te komen tot ontbinding van de huurovereenkomst. De keuze om tegen de huurder te procederen heeft voor- en nadelen opgeleverd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat als nadeel geldt dat in 2024 kosten zijn gemaakt voor AGA Juristen, in totaal € 1.719,-. Als voordeel geldt dat de tweede woning na het vertrek van de huurder beschikbaar is gekomen als woonruimte voor partijen zelf, dan wel zal bij verkoop de woning leeg meer opbrengen dan in verhuurde staat. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor AGA Juristen niet in mindering komen op de behoefte van de kinderen. De rechtbank overweegt daartoe dat als bij de behoefteberekening het voordeel niet kan worden verdisconteerd, het geringere nadeel dan ook niet in aanmerking moet worden genomen. Daarbij komt dat deze kosten niet structureel en niet aanzienlijk hoog zijn.

Verder stelt de man dat de vermogensbelasting ook in mindering zou moeten strekken bij de berekening van de behoefte. Om tot de netto huuropbrengsten (na belasting) te komen zal de rechtbank partijen ieder de helft van de huuropbrengst 2024 als box III rendement toerekenen. Het NBI van de man bedraagt dan € 4.771,- en van de vrouw € 309,-. De rechtbank verwijst voor de berekening van het NBI van partijen naar de berekening onderaan deze beschikking.

Netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI)

Het NBI van partijen bedroeg in 2024 dus samen € 5.080,- per maand (€ 4.771 + € 309). Op basis van dit bedrag hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 467,- per maand. Gebleken is dat partijen in 2024 kindgebonden budget hebben ontvangen maar daar geen recht op hadden vanwege hun vermogen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte het kindgebonden budget wel in aanmerking nemen, omdat het daadwerkelijk is ontvangen en onderdeel is geweest van het gezinsinkomen. Het NBGI bedraagt dan € 5.547,- (€ 5.080 + € 467). Het kindgebonden budget is klaarblijkelijk al uitgegeven en wordt nu in termijnen door de man aan de Belastingdienst terugbetaald. Bij de bepaling van zijn draagkracht zal de rechtbank daarom rekening houden met het terug te betalen bedrag aan kindgebonden budget.

Op basis van de tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen 2024’ leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.480,- per maand voor [de minderjarige 3] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.576,- per maand, te weten afgerond € 523,- per kind.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht man

Voor de draagkrachtberekening van de man zal de rechtbank uitgaan van zijn bruto jaarinkomen van 2025 van € 81.712,-. De vrouw heeft aangevoerd dat de man boven op zijn brutoloon nog 57,6 uur aan verlofuren van € 34,06 per uur kan laten uitkeren, waardoor hij per jaar € 1.993,- meer ontvangt. De man vindt dat hij niet verplicht is om verlofuren uit te laten betalen en dat dit ook niet van hem kan worden verwacht. De uitbetaling moet namelijk met goedkeuring gebeuren van zijn werkgever en niet gezegd is dat de werkgever altijd akkoord zal gaan. Bovendien zijn de verlofuren geen structureel inkomen en wil de man gebruik kunnen maken van zijn verlofuren. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw. De rechtbank ziet geen aanleiding om de man verplicht zijn bovenwettelijke uren – die niet bovenmatig zijn – uit te laten betalen.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 4.462,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Partijen zijn het erover eens dat de man € 120,- per maand terug moet betalen aan teveel ontvangen kindgebonden budget. Dit zal daarom als extra last worden opgenomen.

De andere extra last van € 129,- die de man aanvoert voor de nabetaling van de aanslag Inkomstenbelasting 2024 gaat de rechtbank aan voorbij. Dit is een totale schuld van € 1.549,-. De rechtbank is van oordeel dat deze schuld gelet op het vermogen van partijen een vermijdbare schuld is.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.213,- per maand.

Draagkracht vrouw

Voor de draagkrachtberekening van de vrouw heeft de man aangevoerd dat met een verdiencapaciteit gerekend moet worden van in totaal € 38.000,- per jaar. De man vindt dat zij meer kan werken en meer kan verdienen dan dat zij nu doet. De vrouw stelt dat gerekend moet worden met haar huidige inkomen van € 1.325,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Momenteel werkt ze twintig uur per week en zit zij in een traject van vier tot zes weken bij IT-Tech om een betere baan te krijgen. Ze heeft haar huidige baan voor twintig uur in de week aangenomen om in ieder geval een inkomen te hebben. Dit is het maximale dat ze nu kan verdienen, met name omdat zij ook de volledige zorg voor de kinderen heeft. Verder voert zij aan zestien jaar niet te hebben gewerkt en zelf onder behandeling van een psycholoog te zijn.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft aangegeven bij IT-Tech twintig tot vierentwintig uur te zullen gaan werken als zij succesvol het traject doorloopt. De rechtbank zal daarom uitgaan van een verdiencapaciteit van vierentwintig uur. Uit de stukken volgt dat de vrouw op basis van haar huidige werkweek van twintig uur een uurloon van € 15,30 bruto verdient. De rechtbank is van oordeel dat het goed is dat de vrouw een betere baan probeert te vinden, maar van haar kan niet verwacht worden dat zij ook onmiddellijk een baan met een hoger salaris kan krijgen. Weliswaar heeft ze een achtergrond in de ict, maar zij is zestien jaar niet op de arbeidsmarkt geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat ict-ontwikkelingen snel gaan. De kennis van de vrouw zal waarschijnlijk niet meer voldoende zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat zij vierentwintig uur per week kan werken voor het huidige uurloon, afgerond kan zij dan € 1.591,- bruto per maand verdienen (€ 15,30 x 24 x 52 weken) / 12 maanden)), te vermeerderen met 8% vakantiegeld.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende partij die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank gaat ervan uit dat op het moment dat partijen de woningen verdeeld hebben, zij op basis van haar inkomen recht heeft op kindgebonden budget. Het kindgebonden budget telt zij daarom op bij het inkomen van de vrouw.

De rechtbank houdt verder rekening met (omgerekend naar vierentwintig uur):

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.583,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 377,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.590,- per maand (€ 1.213 + € 377). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.213 / 1.590 x 1.576 = € 1.202

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 377 / 1.590 x 1.576 = € 373

Samen (afrondingsverschil) € 1.575

Van de totale behoefte van € 1.576,- komt een gedeelte van € 1.202,- per maand voor rekening van de man, wat neerkomt op € 401,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 373,- per maand, wat neerkomt op € 124,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.

Omdat de man geen contact heeft met de kinderen, geldt een percentage van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 78,- per maand (5% van € 1.576,-), te weten € 26,- per kind.

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 1.124,- per maand (€ 1.202 -/- € 78), te weten € 375,- per kind per maand.

Ingangsdatum

Omdat de rechtbank bij beschikking van 18 december 2024 een voorlopige kinderalimentatie van € 396,- per maand per kind heeft vastgesteld, zal de rechtbank de bijdrage per datum beschikking vaststellen.

Partneralimentatie

De vrouw heeft naast een bijdrage aan kinderalimentatie ook een bijdrage aan partneralimentatie verzocht. De man verweert zich tegen dit verzoek. Hij stelt dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft omdat zij zelf in haar behoefte kan voorzien. Bovendien heeft hij geen draagkracht voor partneralimentatie.

Behoefte

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 5.547,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.067,- per maand (€ 5.128 -/- € 1.480) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 2.440,- netto per maand (60% van € 4.067,- per maand).

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.440,- per maand moet het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, bij worden opgeteld. In mindering strekt vervolgens haar netto te realiseren inkomen van € 2.568,-. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte bij de vrouw van € 872,- per maand. Dit is bruto € 1.457,- per maand.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor de partneralimentatie uit van dezelfde financiële gegevens als zij hiervoor heeft gebruikt bij de berekening van de draagkracht voor de kinderalimentatie. De rechtbank berekent het NBI van de man in 2025 voor de partneralimentatie volgens de aangehechte berekening op € 4.462,- per maand.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)] toepassen. De rechtbank zal – net als bij de kinderalimentatie – rekening houden met een extra last van € 120,- per maand. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.040,- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.202,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan geen draagkracht beschikbaar voor partneralimentatie.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank wil voorkomen dat de ouders verstrikt raken in een langslepende en complexe echtscheiding. Dat zou niet in het belang van de kinderen zijn. Om die reden zal de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Ouders kunnen zo sneller tot afwikkeling van de huwelijksgemeenschap komen, eigen woonruimte verkrijgen en verder gaan met de volgende stap in hun leven en de kinderen daardoor sneller in rustiger vaarwater laten komen.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 10 september 2024, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Voor de waardering van de woningen zal de rechtbank bepalen dat de makelaar-taxateur die bindend zal bepalen.

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:

betaalrekening op naam van de man bij de ING: [betaalrekening 1] ;

spaarrekening op naam van de man bij de ING: [spaarrekening] ;

betaalrekening op naam van de man bij de ABN AMRO: [betaalrekening 2] ; betaalrekening op naam van de vrouw bij de bij de ING: [betaalrekening 3] ;

de scooter;

de auto met kenteken [kenteken] ;

de inboedel in de echtelijke woning;

het goud;

de huurpenningen;

contant geld en de schulden aan familieleden.

Daarnaast dient de rechtbank een oordeel te geven over:

de kosten voor de echtelijke woning na de peildatum en een vergoeding voor het gebruik van beide woningen.

a. de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats]

De vrouw en de kinderen verblijven op dit moment in de echtelijke woning. De man verzoekt de woning toebedeeld te krijgen tegen een waarde van € 385.000,- en stelt dat de vrouw een toedeling aan hem zal frustreren om zo lang mogelijk in de echtelijke woning te kunnen blijven. De vrouw betwist de door de man gestelde waarde en verzoekt – zoals de rechtbank begrijpt – het voorgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden conform het petitum in het verweerschrift van 11 december 2024. Zij stemt verder in met toedeling van de echtelijke woning aan de man maar wenst conform haar petitum van 4 juli 2025 dat de notariële levering niet eerder dan tussen vijf à zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking plaatsvindt.

De rechtbank zal bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld tegen de te taxeren waarde (leegwaarde) onder voorwaarden dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid die verbonden is aan de hypothecaire lening(en) en vergoeding van de helft van de overwaarde wegens onderbedeling. De rechtbank zal verder bepalen dat in het geval de man niet in staat zal zijn om de toedeling te financieren, de woning zal worden verkocht aan een derde.

De notariële overdracht van de echtelijke woning zal niet tot dakloosheid van de vrouw en kinderen hoeven te leiden. De vrouw verzoekt namelijk de mogelijkheid te krijgen om de tweede woning toebedeeld te krijgen en heeft verklaard in het uiterste geval tijdelijke woonruimte via een kennis te kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat door betaling van de vergoeding wegens onderbedeling van de echtelijke woning en de eventuele verkoopopbrengst van de tweede woning de vrouw voldoende financiële mogelijkheden zal hebben om ook andere woonruimte te verkrijgen.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat in het belang van de kinderen is dat partijen zo snel mogelijk de huwelijksgemeenschap afwikkelen. De rechtbank zal daarom in het zogenaamde spoorboekje waarborgen opnemen opdat geen van partijen voor vertraging kan zorgen. De rechtbank schat in dat het traject van taxatie tot notariële overdracht circa zes maanden in beslag zal nemen. De vrouw verwacht zelf na het doorlopen van het traject bij IT-Tech een financieringsaanvraag te kunnen starten voor de toedeling van de tweede woning. De rechtbank zal daarom bepalen in het spoorboekje dat de notariële overdacht niet eerder dan acht maanden na de datum van deze beschikking zal plaatsvinden, tenzij de vrouw en kinderen de echtelijke woning eerder hebben verlaten.

b. de tweede woning aan de [adres 2] te [plaats]

De tweede woning van partijen is vrij van hypotheek en tot en met oktober 2024 verhuurd geweest. De man stelt momenteel in de tweede woning te verblijven en de vrouw betwist dit. Zij stelt dat hij bij zijn ouders verblijft en de tweede woning leeg staat. De vrouw wil de sleutel van de tweede woning krijgen om de woning bouwkundig te laten inspecteren. Afhankelijk van de staat van de tweede woning wil zij die woning eventueel toebedeeld krijgen. De man weigert de sleutel af te geven. Hij vreest dat de vrouw onaangekondigd binnen zal komen.

De rechtbank zal bepalen dat de man op eerste verzoek de vrouw en een bouwkundige toegang zal verlenen. De rechtbank zal hier wel als voorwaarde aan verbinden dat de vrouw dit minimaal drie dagen voor het bezoek schriftelijk (per mail/Whatsapp) moet aankondigen. Mocht de man op eerste verzoek de vrouw niet in staat stellen de woning met een bouwkundige te bezichtigen dan zal hij worden veroordeeld de sleutel van de tweede woning aan de advocaat van de vrouw af te geven. De bezichtiging met de bouwkundige moet met het oog op de voortgang binnen zes weken na de datum van deze beschikking hebben plaatsgevonden.

Verder zal de rechtbank bepalen dat vrouw de mogelijkheid krijgt om de woning toebedeeld te krijgen tegen de te taxeren waarde (leegwaarde) onder voorwaarde dat de vrouw de helft van de overwaarde wegens onderbedeling aan de man zal voldoen. Mocht de vrouw binnen twee maanden besluiten de woning niet toebedeeld te willen hebben of mocht zij niet in staat zullen zijn om de toedeling te financieren, dan zal de rechtbank bepalen dat de woning zal worden verkocht aan een derde.

c. de betaal- en spaarrekeningen

Partijen hebben tijdens het tweede deel van de mondelinge behandeling afgesproken dat de saldi op peildatum bij helfte zullen worden verdeeld en dat partijen de bankrekeningen houden die op hun naam staan.

d. de scooter

Partijen hebben tijdens het tweede deel van de mondelinge behandeling afgesproken dat vrouw de scooter toebedeeld krijgt die zij op dit moment in bezit heeft zonder verrekening van de waarde. De man stelt onweersproken dat de scooter, die hij gebruikt, na de peildatum is gekocht. De rechtbank zal de scooter van de man daarom niet betrekken in de verdeling.

e. de auto met kenteken [kenteken]

Verder spraken partijen tijdens het tweede deel van de mondelinge behandeling af dat de auto met kenteken [kenteken] zal worden toebedeeld aan de man die daarvoor een bedrag van € 525,- aan de vrouw zal voldoen; binnen een week na ontvangst van dat bedrag zal de vrouw de sleutels (laten) afgeven aan de man.

f. de inboedel in de echtelijke woning

Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de inboedel. De rechtbank zal de inboedel – met uitzondering van de goederen van de kinderen – bij helfte verdelen. Iedere partij zal dan steeds om de beurt een inboedelgoed mogen kiezen. De advocaten van partijen zullen onderling uitmaken welke partij als eerste mag kiezen.

g. het goud

Partijen betwisten beiden gouden sieraden te bezitten. Tijdens het tweede deel van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat zij dat geen verdeling meer van de gouden sieraden verzoeken.

h. de huurpenningen

De vrouw verzoekt dat de rechtbank zal bepalen dat de huurpenningen van de tweede woning na de peildatum, te weten 10 september 2024, tot 1 november 2024, zullen worden verdeeld. Uit de stukken en hetgeen is besproken, blijkt dat na de peildatum geen kosten voor de tweede woning zijn gemaakt. De man zal daarom worden veroordeeld de helft van de huurpenningen na de peildatum aan de vrouw te voldoen;

i. het contante geld en schulden aan familieleden

Vaststaat dat partijen voor de peildatum over contant geld hebben beschikt. Over de oorsprong van het geld verschillen zij. De man stelt dat er allerlei lasten mee zijn betaald en dat de vrouw op de peildatum nog € 6.600,- aan contant geld in bezit had. Tijdens het tweede deel van de mondelinge behandeling heeft de man het eerder verlaten standpunt weer ingenomen en gesteld dat de vrouw dit geld als schoonheidsspecialiste heeft verdiend. De vrouw stelt dat het contante geld € 14.200,- bedroeg. Dat geld stelt zij geleend te hebben van familieleden. Volgens haar is circa € 6.000,- voor de peildatum deels uitgegeven aan een vakantie in Londen en deels aan de afbetaling van schulden aan familieleden. De vrouw stelt dat de man de rest van het geld heeft meegenomen. De vrouw maakt daarom aanspraak op de helft van het restant van € 8.200,-.

Verder stelt de vrouw dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor nog openstaande schulden aan familieleden. De man betwist dat geld aan familieleden is verschuldigd.

Nu partijen elkaars stellingen gemotiveerd betwisten, is de rechtbank van oordeel dat hun verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. Geen van partijen heeft een voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. De rechtbank zal daarom de verzoeken die zien op de verdeling van contant geld en het vaststellen van de draagplicht van schulden aan familieleden afwijzen.

j. de kosten voor de echtelijke woning na de peildatum en een vergoeding voor het gebruik van beide woningen.

De rechtbank zal bepalen dat partijen geen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woningen hoeft te bepalen. De vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning en de tweede woning vallen op dit moment tegen elkaar weg. Wel zal de rechtbank bepalen dat partijen draagplichtig zijn, ieder voor de helft, voor de betaling van de hypothecaire schuld verbonden aan de echtelijke woning vanaf het moment van peildatum tot aan het moment dat de woning notarieel is overgedragen aan de man of een derde.

Proceskosten

Nu de rechtbank de beslissing ten aanzien van de definitief vast te stellen zorgregeling zal aanhouden, zal de rechtbank ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2010 te [plaats] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

*

verzoekt de Raad een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

indien de Raad van mening is dat een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, verzoekt de rechtbank de Raad een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop dat contact gerealiseerd kan worden, indien nodig met behulp van proefcontacten;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 maart 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 3] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 375,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

a. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] ( [postcode] ) te [plaats] , met de daaraan gekoppelde hypothecaire schuld bij Loydsbank:

1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

- voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan vrouw binnen acht weken na heden drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren; in het geval de man niet tijdig de makelaar-taxateurs voorstelt, zal de vrouw drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen;

- binnen twee weken dient de partij, die de drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorgesteld heeft gekregen, er een te kiezen;

- als binnen de termijn van twee weken geen makelaar-taxateur wordt gekozen dan zal de andere partij een van de drie voorgestelde makelaar-taxateurs uitkiezen;

- partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning; als dat niet tijdig gebeurt dan machtigt de rechtbank de ene partij om namens de weigerachtige partij op te treden en de opdracht te verlenen;

- de makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde op het moment van taxatie vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;

- de man dient binnen twee maanden na de taxatie schriftelijk aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en);

- de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan, wel gedragen;

- de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de eventueel aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

- de kosten van de notariële overdracht worden door de man voldaan;

- partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

- als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de notariële overdracht;

- de notariële overdracht zal niet eerder dan acht maanden na deze beschikking plaatsvinden, tenzij de vrouw en kinderen de woning eerder hebben verlaten;

2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

- partijen dienen binnen één week nadat de onder 1. genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1. genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde; als dat niet gebeurt dan machtigt de rechtbank de ene partij om namens de weigerachtige partij op te treden en de opdracht te verlenen;

- deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

- de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen; de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

- partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de andere partij hun medewerking aan de verkoop en de notariële overdracht van de woning;

- als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de verkoop en de notariële overdracht;

b. met betrekking tot de woning aan de [adres 2] te [plaats] :

1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

- de vrouw zal uiterlijk binnen zes weken na deze beschikking samen met een bouwkundige de woning bezichtigen; zij zal de bezichtiging uiterlijk drie dagen voor het bezoek schriftelijk (per mail/Whatsapp) aankondigen; als de man de vrouw op eerste verzoek niet in staat stelt de woning met een bouwkundige te bezichtigen dan dient hij op eerste verzoek onmiddellijk een sleutel van de tweede woning aan de advocaat van de vrouw af te geven; de termijn van zes weken is een fatale termijn; bij niet tijdige bezichtiging vervalt de mogelijkheid voor de vrouw om de woning te bezichtigen met een bouwkundige;

- voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen acht weken na heden drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren; in het geval de vrouw niet tijdig de makelaar-taxateurs voorstelt, zal de man drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen;

- binnen twee weken dient de partij, die de drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorgesteld heeft gekregen, er een te kiezen;

- als binnen de termijn van twee weken geen makelaar-taxateur wordt gekozen dan zal de andere partij een van de drie voorgestelde makelaar-taxateurs uitkiezen;

- partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning met inachtneming van de eventuele bevindingen van de bouwkundige; als dat niet tijdig gebeurt dan machtigt de rechtbank de ene partij om namens de weigerachtige partij op te treden en de opdracht te verlenen;

- de makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde op het moment van taxatie vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

- de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie schriftelijk aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen;

- de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan, wel gedragen;

- de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de kosten van de makelaar-taxateur;

- de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw voldaan;

- partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

- als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de notariële overdracht;

2. indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

- partijen dienen binnen één week nadat de onder 1. genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1. genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde; als dat niet gebeurt dan machtigt de rechtbank de ene partij om namens de weigerachtige partij op te treden en de opdracht te verlenen;

- deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

- de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen, de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

- partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de andere partij hun medewerking aan de verkoop en de notariële overdracht van de woning;

- als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de verkoop en de notariële overdracht;

c. met betrekking tot de betaal- en spaarrekeningen:

partijen ieder de op hun eigen naam staande bankrekeningen toegedeeld krijgen, onder verrekening van de saldi van deze bankrekeningen bij helfte per peildatum van 10 september 2024;

d. met betrekking tot de scooter:

de scooter wordt toebedeeld aan de vrouw zonder verrekening van de waarde;

e. met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken] :

de auto met kenteken [kenteken] wordt toebedeeld aan de man die daarvoor een bedrag van € 525,- aan de vrouw zal voldoen; binnen een week na ontvangst van dat bedrag zal de vrouw de sleutels (laten) afgeven aan de man;

f. met betrekking tot de inboedel:

de inboedel – met uitzondering van de goederen van de kinderen – wordt verdeeld bij helfte; iedere partij zal daarbij steeds om de beurt een inboedelgoed mogen kiezen; de advocaten zullen in onderling overleg beslissen welke partij als eerste mag kiezen;

g. met betrekking tot de gouden sieraden:

de rechtbank de verzoeken tot verdeling van de sieraden als ingetrokken beschouwt en daarover geen beslissing zal nemen;

h. met betrekking de huurpenningen van de tweede woning:

de man wordt veroordeeld om aan de vrouw de helft van de ontvangen huurpenningen van de tweede woning na peildatum te voldoen;

i. met betrekking tot het contante geld en de schulden aan familieleden:

de verdeling van het contante geld en het vaststellen van de draagplicht van de schulden aan familieleden wordt afgewezen;

j. met betrekking tot de kosten voor de echtelijke woning na de peildatum:

partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypothecaire schuld verbonden aan de echtelijke woning, vanaf 10 september 2024 tot aan het moment dat de woning notarieel is overgedragen aan de man of een derde;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten aan;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Perniciaro

Griffier

  • mr. L.E. Meisters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?