ECLI:NL:RBDHA:2025:25106

ECLI:NL:RBDHA:2025:25106, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.49629

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer NL25.49629
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel, geloofwaardigheid, motiverings-en zorgvuldigheidsgebrek, beroep gegrond, in stand laten rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49629

(gemachtigde: mr. M. Demirtas),

en

(gemachtigde: mr. drs. M.F. van der Lubbe).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag, ondanks een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eiser en onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit en de beoordeling door de minister van eisers asielmotieven. In overweging 5 is eisers referentiekader opgenomen en onder 6 zet de rechtbank het juridisch kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling uiteen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister eisers asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Aan het eind, onder 16 en 16.1, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 augustus 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep samen met zaaknummer NL25.49630 op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet bij de behandeling op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedatum] 1990 en met de Libische nationaliteit. Eiser is vanwege de algemene (oorlogs)situatie vertrokken uit Libië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst. Dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig. In de eerste plaats heeft eiser zijn verklaringen en daarmee het asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Dit is niet het geval omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en e, van de Vw 2000. De minister acht het asielmotief ongeloofwaardig en het motief wordt daarom niet verder beoordeeld. Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en hij loopt bij terugkeer naar Libië geen reëel risico op ernstige schade.

Referentiekader van eiser

5. De rechtbank stelt vast dat de minister voor eiser als referentiekader voor de besluitvorming heeft opgenomen dat hij een volwassen alleenstaande islamitische man is, naar school is geweest en dat hij heeft gewerkt. Ook verblijft eiser al meerdere jaren in Europa en heeft hij in verschillende landen asiel aangevraagd of de asielprocedure doorlopen. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat van eiser mag worden verwacht dat hij duidelijk antwoord kan geven op de aan hem gestelde vragen.

Wat is het juridische kader?

6. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende Werkinstructie (WI) 2024/6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Hiermee is ook WI 2014/10 ingetrokken. Dit nieuwe beleid is een uitwerking van artikel 31 van de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en een nadere invulling van het beleid in paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Heeft de minister het asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat eiser niet beschikt over documenten en zijn verklaringen het asielmotief ook niet onderbouwen?

7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig acht. De rechtbank gaat hieronder stapsgewijs in op de verschillende onderdelen van de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister heeft verricht.

In de eerste plaats is niet in geschil dat eiser het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c, en e van de Vw 2000.

Geen oprechte inspanning om de aanvraag te staven (voorwaarde a)

8. Eiser stelt dat hij niet beschikt over een persoonlijk identiteitsdocument. Zijn identiteitskaart ligt namelijk nog bij zijn ouders in Tunesië waar hij sinds zijn vertrek geen contact meer mee heeft. De minister werpt dan ook ten onrechte tegen dat eiser niet over documenten beschikt omdat sprake is van overmacht, wat niet mag worden aangemerkt als indicatie van ongeloofwaardigheid.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn aanvraag te staven. Daarmee voldoet hij niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser heeft verklaard dat hij in het bezit was van een identiteitskaart die hij heeft achtergelaten bij zijn ouders. Sinds zijn aankomst in Europa in 2015 heeft hij geen enkele poging ondernomen om in het bezit te komen van deze identiteitskaart. De enkele verklaring van eiser dat hij geen contact meer heeft met zijn ouders, is een onvoldoende verklaring voor het gebrek aan inspanning van zijn zijde om het document te kunnen overleggen. De minister mag van eiser verwachten dat hij via zijn ouders of via een andere weg probeert om zijn identiteitskaart naar Nederland te halen. Weliswaar heeft eiser gesteld dat de procedure bij de ambassade, naar de rechtbank begrijpt om een nieuwe identiteitskaart te verkrijgen, veel tijd in beslag neemt, maar niet gebleken is dat eiser überhaupt stappen heeft ondernomen om een dergelijke procedure op te starten. Dit is ook door eiser niet betwist. De minister stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zich ten onrechte niet aantoonbaar heeft ingespannen om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen.

Geen documenten en daarvoor geen goede verklaring (voorwaarde b)

9. Het betoog van eiser dat het onjuist is dat de documenten en bevindingen uit eisers Dublinprocedure door de minister worden betrokken bij de beoordeling in de onderhavige procedure heeft de gemachtigde van eiser ter zitting ingetrokken, zodat de rechtbank dit buiten beschouwing zal laten. Wel zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen inzichtelijke en overtuigende verklaringen heeft gegeven waarom hij niet in staat is om documenten te overleggen ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst.

Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Tijdens het Dublingehoor op 10 januari 2020 heeft eiser verklaard dat hij als kleine jongen uit zijn land van herkomst is vertrokken en geen documenten had. Eiser geeft hiermee aan dat hij nooit Libische identificerende documenten heeft gehad. Uit openbare bronnen volgt dat er in Libië vanaf 16 jaar een identificatieplicht geldt, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van identificerende documenten. Op het moment van eisers vertrek in 2015 was hij namelijk al ouder dan 16 jaar. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser hiermee tegenstrijdig verklaard door in het nader gehoor te verklaren dat hij wél in het bezit was van een (Libische) identiteitskaart. Eiser zou de kaart hebben achtergelaten bij zijn ouders en zoals hierboven is overwogen (verwijtbaar) geen poging hebben ondernomen om de kaart in zijn bezit te krijgen. Eiser ziet ook niet in welk doel het overleggen van een identiteitskaart dient. De minister stelt zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat dit geen afdoende verklaring is. Ook gelet op eiseres referentiekader mag de minister van eiser verwachten dat hij op de hoogte is van het belang van identificerende documenten. Hoewel eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij zou proberen om aan een foto van zijn identiteitskaart te komen, heeft hij later niets overgelegd en hier ook niets over verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiser (verwijtbaar) onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Verklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c)

Aliassen

10. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte vaststelt dat hij vier aliassen heeft. Onduidelijk is waar de minister dit op baseert. Als de minister dit baseert op de eigen verklaringen van eiser, had hij de mogelijkheid moeten krijgen om hierover een toelichting te geven. Deze mogelijkheid is tijdens het nader gehoor onvoldoende geboden.

Vast staat dat eiser meerdere aliassen heeft. Uit informatie van de Italiaanse en Duitse autoriteiten blijkt namelijk dat eiser zich bij die lidstaten heeft gemeld met andere persoonsgegevens, namelijk andere namen en andere nationaliteiten. Bij het voorhouden van de verschillende persoonsgegevens heeft eiser verklaard dat hij nooit de Tunesische, maar wel de Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven omdat hij klein en bang was. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit betoog niet ten onrechte niet volgt, omdat eiser toen ook al een volwassen man was en het aan hem is om transparant te zijn over zijn persoonsgegevens. Niet in geschil is dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en nationaliteit bij verscheidene Europese lidstaten. Eiser is hier voldoende over bevraagd op pagina 3 van het nader gehoor. Eisers enkele stelling dat hij heeft gelogen en dingen niet heeft gezegd om voor hem belangrijke redenen, is niet voldoende om de ontstane twijfel weg te nemen. Hij heeft namelijk ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om dit nader toe te lichten in de correcties en aanvullingen.

Wisselende verklaringen leeftijd ten tijde van vertrek

11. Volgens de minister heeft eiser wisselend verklaard over zijn leeftijd ten tijde van zijn vertrek uit Libië. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiser tijdens zijn Dublingehoor heeft verklaard dat hij Libië in 2015 heeft verlaten, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij in 2013 is vetrokken. Ook heeft hij wisselend verklaard over zijn leeftijd ten tijde van het verlaten van Libië. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij 20 jaar was toen hij Libië verliet, later heeft eiser verklaard dat hij 22 jaar oud was en in de correcties en aanvullingen dat hij 21 jaar was. Volgens de opgegeven persoonsgegevens is eiser in 1990 is geboren enwas hij in 2013 dus al 22 of 23 jaar oud. Gelet op de wisselende verklaringen is er volgens de minister geen sprake van een samenhangend en aannemelijk geheel. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen bovenstaande standpunten van de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn leeftijd ten tijde van het vertrek uit Libië. Dit is dan ook niet in geschil.

Herkomstvragen

12. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat zijn antwoorden op herkomstvragen niet helemaal juist zijn of niet kunnen worden teruggevonden. Dat zijn antwoorden op herkomstvragen mogelijk afwijken van de actuele informatie over Libië is verklaarbaar gelet op zijn langdurige afwezigheid en de veranderingen in zijn woonomgeving in die 10 jaar. Eiser heeft voor zover mogelijk de vragen omtrent zijn herkomst zo volledig mogelijk beantwoord. Daarnaast heeft de minister eiser ten onrechte niet geconfronteerd met zijn foutieve antwoorden, terwijl dit volgens WI 2022/4 wel moet. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 19 januari 2024. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de herkomstcheck onzorgvuldig is uitgevoerd. De minister moet inzichtelijk maken hoe alle verklaringen van eiser over zijn leefomgeving in samenhang zijn gewogen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. De minister moet hem het voordeel van de twijfel geven. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juli 2018.

Op de beoordeling van de opgegeven herkomst is WI 2022/4 van toepassing, waarin de werkwijze van de minister bij een onderzoek naar de herkomst is beschreven. Aan de hand van de zogenaamde Herkomst Informatie Systeem-check (HIS-check) beoordeelt de minister of het geloofwaardig is dat een vreemdeling uit een bepaald land of gebied komt. Wanneer uit de HIS-check blijkt dat de vreemdeling geen informatie over zijn directe woon- en leefomgeving en andere relevante thema’s kan verschaffen, en hier geen verschoonbare verklaring voor kan geven, wordt de herkomst en daarmee ook de opgegeven nationaliteit ongeloofwaardig geacht. De HIS-check betekent niet dat er alleen maar (topografische) vragen worden gesteld over het gebied waar de vreemdeling uit afkomstig is. Ook de antwoorden van de vreemdeling over taal, documenten, kennis van bevolkingsgroepen, de culturele gebruiken van de eigen bevolkingsgroep en overige kennis van het land van herkomst, kunnen bij de HIS-check betrokken worden. De minister betrekt hierbij uitdrukkelijk het referentiekader van de vreemdeling.

De minister erkent op de zitting dat eiser tijdens het nader gehoor inderdaad niet is geconfronteerd met tegenstrijdigheden, waar dat tijdens het gehoor na het inlassen van een pauze had kunnen en moeten plaatsvinden. Volgens de minister is eiser hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad. De tegenwerpingen zijn in het besluit gemotiveerd en het behoort tot de verantwoordelijkheid van eiser om zijn identiteit aan de hand van documenten te onderbouwen.

De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de minister hem ten onrechte niet heeft geconfronteerd met zijn foutieve antwoorden op de herkomstvragen, terwijl WI 2022/4 dit wel voorschrijft. De beroepsgrond slaagt op dit punt, de rechtbank legt dit hieronder verder uit.

De rechtbank stelt vast dat eiser enkel is geconfronteerd met zijn verklaring dat er in Libië een werkend treinstation is, terwijl Libië sinds 1965 niet meer beschikt over een werkend treinspoor. Er zijn in het bestreden besluit nog een aantal punten tegengeworpen, onder andere dat eiser het verkeerde netnummer van Libië heeft genoemd en dat het door hem opgegeven adres in de wijk [naam wijk], gelet op de beschikbare informatie, ver buiten de wijk [naam wijk] in Tripoli ligt. Ook de gegeven informatie over de moskee in de wijk en de aanwezige winkels kloppen, gelet op openbare informatie, volgens de minister niet. Deze laatste twee punten zijn echter niet aan eiser tegengeworpen. Op pagina 3 onder paragraaf 6 ‘Wat is de HIS-check’ van de WI 2022/4 staat dat als de vreemdeling geen verschoonbare verklaringen kan geven voor het niet verschaffen van informatie op relevante thema’s, de nationaliteit ongeloofwaardig wordt geacht. De rechtbank leidt hieruit af dat een vreemdeling de mogelijkheid moet hebben om een verschoonbare verklaring te geven voor het ontbreken van informatie over relevante thema’s. Daaronder begrepen foutieve antwoorden. Vervolgens staat op pagina 8 onder sub alinea 11.1. ‘Confrontatie en opnemen verklaring’:

‘Essentieel bij een besluit waarin de herkomst niet geloofwaardig wordt geacht is dat de vreemdeling geconfronteerd wordt met de constatering dat het documentonderzoek, de taalindicatie en/of taalanalyse negatief uitvalt en/of dat antwoorden niet kloppen, vaag of onvolledig zijn’.

De rest van de alinea beschrijft de verdere manieren waarop de vreemdeling moet worden geconfronteerd. Daarbij staat ook opgenomen dat de verklaring die de vreemdeling geeft voor het niet weten van bepaalde informatie moet worden beoordeeld in het licht van het referentiekader.

Gelet op het bovenstaande slaagt de beroepsgrond. Anders dan de minister, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Hij heeft tijdens het gehoor niet de mogelijkheid gehad om te reageren op foutieve antwoorden of om aan te geven waarom hij het juiste antwoord niet weet. Omdat het besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kent, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. Onder rechtsoverweging 16 en verder beoordeelt de rechtbank of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven of dat de minister een nieuw besluit dient te nemen.

Familie

13. Eiser heeft geen beroepsgrond gericht tegen de beoordeling door de minister van zijn verklaringen over zijn familie. De minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn familie. Eiser heeft immers verklaard dat zijn héle familie is overleden. Later verklaart hij nog dat zijn vader en moeder allebei zijn overleden. Vervolgens verklaart eiser enkel dat zijn ouders niet zijn overleden en nog leven. Dit terwijl tijdens allebei de gehoren is benadrukt dat het belangrijk is om de waarheid te vertellen. Eiser heeft dit niet gedaan en zijn verklaringen ook niet gecorrigeerd zodat deze als niet samenhangend en onaannemelijk kunnen worden beschouwd.

Talen

14. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister constateert verder niet ten onrechte dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij drie talen sprak, namelijk Frans, Duits en Italiaans. Daarna verklaart eiser dat hij ook Arabisch spreekt, om te vervolgen dat hij dit niet echt begrijpt. De minister acht dit niet ten onrechte opmerkelijk gezien eiser Libië pas na zijn 20e heeft verlaten en daar onderwijs heeft gehad. De minister mag dan verwachten dat eiser de Arabische taal beheerst.

Tussenconclusie

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Is het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod onredelijk en in strijd met artikel 3 van het EVRM?

15. Eiser betoogt dat het opleggen van een inreisverbod van twee jaar en het terugkeerbesluit in deze situatie onredelijk en disproportioneel zijn. Gelet op de veiligheidssituatie in Libië kan eiser niet terugkeren. Het terugkeerbesluit is daarom in strijd met artikel 3 van het EVRM en het beginsel van proportionaliteit.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er wel een terugkeerbesluit mocht worden uitgebracht met als opgenomen landen Marokko, Tunesië of Libië. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat er altijd een terugkeerbesluit moet worden opgelegd. De onderzoeksplicht van de minister is op dat punt beperkt tot het opnemen van landen die eiser eerder heeft opgegeven.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op het onder 12.3 en 12.4 geconstateerde zorgvuldigheids-en motiveringsgebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij ziet alleen geen aanleiding om de minister op te dragen om een nieuw besluit te nemen en zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. In de eerste plaats heeft de minister volgens de geloofwaardigheidsbeoordeling van WI 2024/6 beoordeeld of eiser het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst met documenten heeft onderbouwd. Dat is niet het geval. Daarom is vervolgens beoordeeld of eiser voldoet aan de cumulatieve vereisten van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000,. De minister heeft daarbij gesteld dat eiser niet voldoet aan de onderdelen a, b, c en e. Het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek ziet op artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en gaat over de vraag of eiser samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank heeft onder 12.3 en 12.4 geoordeeld dat de minister het herkomstonderzoek en daarmee de beoordeling of eiser samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd, gedeeltelijk niet zorgvuldig heeft verricht en heeft gemotiveerd. Dit laat onverlet dat eiser niet voldoet aan de onderdelen a en b. Ook voldoet hij, los van het herkomstonderzoek, niet aan de andere onderdelen van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, te weten de aliassen, verklaringen over de leeftijd ten tijde van het vertrek, familie en talen. Gelet op de cumulatieve voorwaarden, moet eiser echter wel aan alle onderdelen van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, voldoen. In ieder geval moet de minister een individuele beoordeling maken, dat heeft de minister ook gedaan. Dat betekent dat eiser weliswaar gedeeltelijk gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in stand blijft en de rechtbank de minister niet op zal dragen om een nieuw besluit te nemen.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.L.M. Steinebach - de Wit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?