Scheiding
Beschikking op het op 10 januari 2024 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. van Andel te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.E.D. Tjeertes te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van 10 januari 2024, met bijlagen, van de zijde van de man;
de brief van 22 januari 2024, met bijlage, van de zijde van de man;
het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek van 26 februari 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het verweerschrift op zelfstandig verzoek van 28 maart 2024 van de zijde van de man;
het F9 formulier van 5 april 2024 van de zijde van de man;
het antwoordformulier mediation van 5 april 2024 van de zijde van de vrouw;
het F9 formulier van 9 oktober 2024 van de zijde van de man;
de brief van 22 februari 2025, met bijlagen, van de zijde van de man.
De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 4 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2006 te [plaats].
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2012 is de scheiding van tafel en bed uitgesproken tussen de man en de vrouw, welke is ingeschreven in de daartoe bestemde registers op 4 januari 2013. Daarbij zijn opgenomen de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na scheiding van tafel en bed, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan de beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige].
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
bepaling dat de regelingen, zoals tussen partijen overeengekomen in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, deel uitmaken van de beschikking, met dien verstande dat heeft te gelden dat de man met ingang van 1 juni 2023 aan de vrouw verschuldigd is een bedrag aan kinderalimentatie van € 390,- per maand, althans een zodanig bedrag lager dan € 739,23 als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, en met veroordeling van de vrouw om al hetgeen de man vanaf 1 juni 2023 meer dan € 390,- per maand heeft betaald aan de man terug te betalen binnen een week na betekening van deze beschikking,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien verzoekt de vrouw zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat er geen sprake zal zijn van een vaste zorgregeling, maar dat de man minimaal een keer per maand met [minderjarige] zal eten;
bepaling dat de regelingen uit het aan de beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan ook deel uitmaken van deze beschikking, zodat de man gehouden is de gehele kinderalimentatie te betalen van € 785,06 (2024) per maand alsmede de overeengekomen additionele kinderalimentatie van € 500,- per maand.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
De man en de vrouw stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats [minderjarige]
De man en de vrouw zijn het er over eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw moet worden bepaald. Nu partijen dit ook hebben opgenomen in het ouderschapsplan en dit ouderschapsplan, zoals uit het onderstaande zal blijken, aan deze beschikking zal worden gehecht, wijst de rechtbank de verzoeken van de man en de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bij gebrek aan belang af.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt om vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat er geen sprake zal zijn van een vaste zorgregeling, maar dat de man minimaal één keer per maand met [minderjarige] zal eten. De man voert verweer tegen een dergelijke beperkte regeling en stelt dat [minderjarige] graag bij hem wil logeren en met hem op vakantie wil gaan. Hij verzoekt het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, waarin een ruimere zorgregeling is opgenomen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en wat op de zitting en in het gesprek met [minderjarige] is besproken, is gebleken dat er veel is gebeurd tussen de ouders en tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] heeft niet aangegeven dat hij zijn vader nooit meer wil zien, maar op dit moment heeft hij geen behoefte aan contact met zijn vader. De vader heeft ook niet concreet verzocht om een passende zorgregeling, anders dan de zorgregeling die in het ouderschapsplan is opgenomen. Aan deze zorgregeling wordt echter al heel lang geen uitvoering meer gegeven. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek om een zorgregeling vast te stellen afwijzen en geen zorgregeling vaststellen. Het is aan [minderjarige] om aan te geven of hij contact wil met zijn vader. De rechtbank hoopt dat er met deze beschikking rust komt tussen partijen en dat dit ook zal helpen in het bevorderen van het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.
Kinderalimentatie
De man heeft verzocht de regelingen die partijen eerder zijn overeengekomen in een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan op te nemen in de beschikking, waarbij een andere regeling geldt ten aanzien van de kinderalimentatie. Daarbij moet wat de man betreft worden bepaald dat hij met ingang van 1 juni 2023 aan de vrouw verschuldigd is een bedrag aan kinderalimentatie van € 390,- per maand, waarbij de vrouw aan de man moet terug betalen alles wat zij vanaf 1 juni 2023 meer dan € 390,- per maand heeft ontvangen. De vrouw verweert zicht hiertegen en stelt dat de afspraken zoals opgenomen in het convenant en ouderschapsplan geldend zijn, zodat de man gehouden is de gehele kinderalimentatie te betalen van € 785,06 (2024) per maand alsmede de overeengekomen additionele kinderalimentatie van € 500,- per maand.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in 2012 in het kader van hun scheiding van tafel en bed afspraken gemaakt over de kinderalimentatie, zonder een berekening te maken. In artikel 7.1 van het ouderschapsplan zijn de man en de vrouw het volgende overeengekomen:
‘Zolang het kind minderjarig is en bij de moeder woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor het kind van € 600,- per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2013.
Bij het bepalen van de hoogte van de kinderalimentatie is rekening gehouden met het feit dat de vader tot september 2013 60% van zijn normale inkomen verdient. Per 1 oktober 2013 wordt – ervan uitgaande dat de vader dan weer een inkomen geniet gelijkwaardig aan zijn oude inkomensniveau – de kinderalimentatie verhoogd met € 500,- per maand, ten aanzien van welke verhoging geen jaarlijkse indexatie zal plaatsvinden. Deze verhoogde alimentatie geldt zolang de moeder niet samenwoont met een nieuwe partner en uiterlijk voor de duur van 11 jaar.’
Partijen hebben in de jaren na het overeenkomen van de bovengenoemde afspraak andere tijdelijke afspraken gemaakt over de te betalen kinderalimentatie in verband met een gewijzigd inkomen van de man, aan welke afspraken telkens uitvoering is gegeven. Op 30 mei 2023 heeft er een kort geding procedure plaatsgevonden, waarin partijen in een proces-verbaal voor zover hier van belang het volgende hebben afgesproken:
‘3. De man zal per 1 juni 2023 maandelijks bij vooruitbetaling bij wege van voorlopige kinderalimentatie een geïndexeerd bedrag van € 739,23 aan de vrouw voldoen.
4. Partijen zullen vervolgens de kinderalimentatie voor de toekomst in onderling overleg proberen vast te stellen en tevens op basis van de stukken bezien of zij tot een regeling kunnen komen ter zake van het verleden. Indien zij onverhoopt niet tot een regeling kunnen komen, zal de kwestie van de achterstand worden voorgelegd aan de bodemrechter en zal de kinderalimentatie voor de toekomst aan de kinderrechter worden voorgelegd, waarbij als peildatum voor de toekomst 1 juni 2023 zal gelden.’
Gebleken is dat partijen niet tot afspraken gekomen zijn en verdeeld zijn over de vraag hoe het verder moet. Nu ligt aan de rechtbank de vraag voor wat er in de toekomst tussen partijen heeft te gelden. De rechtbank hanteert daarbij als peildatum 1 juni 2023, gelet op wat partijen zijn overeengekomen in het hierboven geciteerde proces-verbaal. De vraag die de rechtbank daarom moet beantwoorden is of er per 1 juni 2023 sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de in 2012 gemaakte afspraken gewijzigd moeten worden. De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde financiële stukken volgt dat hij in 2023 een bruto jaarinkomen had van € 85.200,-, terwijl hij in 2012 een bruto jaarinkomen had van € 63.343,-. Om die reden is naar het oordeel van de rechtbank per 1 juni 2023 geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden op basis waarvan de afspraken zouden moeten worden gewijzigd, in die zin dat het alimentatiebedrag zou moeten worden verlaagd, zoals de man verzoekt. Aangezien de man op de peildatum ruim meer verdiende dan in 2012, gaat de rechtbank er vanuit dat de man per de peildatum van 1 juni 2023 het bedrag zoals overeengekomen in 2012 kan betalen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. Dit heeft tot gevolg dat per de peildatum van 1 juni 2023 de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak ten aanzien van de kinderalimentatie geldt. Dit betekent dat de man vanaf 1 juni 2023 het in 2012 overeengekomen bedrag moet betalen waarbij het destijds overeengekomen bedrag geïndexeerd moet worden. Dit betekent dat de man vanaf 1 januari 2024 een bedrag van € 785,06 aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 836,09 .
De rechtbank overweegt ten slotte dat de additionele afspraak ten aanzien van het bedrag van € 500,- die partijen in 2012 zijn overeengekomen inmiddels is verlopen, omdat elf jaar is verstreken sinds het maken van de afspraak. Die afspraak geldt dus niet meer, wat partijen op de zitting ook hebben bevestigd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de additionele afspraak dan ook afwijzen.
Opname convenant en ouderschapsplan
De man en de vrouw verzoeken beiden te bepalen dat het in 2012 tussen hen overeengekomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. De rechtbank zal aldus bepalen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat in afwijking van het ouderschapsplan geen zorgregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige] en dat per 1 juni 2023 de afspraken over de kinderalimentatie onverkort gelden.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de echtscheiding tussen de man en de vrouw, met elkaar gehuwd op [datum] 2006 te [plaats];
*
bepaalt de door de man te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], op € 739,23 per maand van 1 juni 2023 tot 1 januari 2024, op € 785,06 per maand van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 en op € 836,09 per maand vanaf 1 januari 2025 telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
neemt op de door de man en de vrouw getroffen onderlinge regelingen, zoals neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte addendum ouderschapsplan, met dien verstande dat zal worden bepaald dat in afwijking van het ouderschapsplan geen zorgregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige] en dat per 1 juni 2023 de afspraken over kinderalimentatie onverkort gelden;
*
verklaart deze beschikking tot zover, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding tussen de man en de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.