Scheiding
Beschikking op het op 7 juni 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Hassan te Almere.
Procedure
Bij beschikking van 18 februari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen de man en de vrouw en bepaald dat [minderjarige 1] voorlopig de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man, waarbij voorlopig geen zorgregeling is vastgesteld tussen [minderjarige 1] en de vrouw. Daarnaast is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van € 50,- per maand en is bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de voormalig echtelijke woning. Ten slotte is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te doen, waarbij het onderzoek ziet op de volgende vragen:
Welke hoofdverblijfplaats is in het belang van de kinderen?
Hoe moet de zorgregeling met de niet-verzorgende ouder van de kinderen eruit
zien? Behoort een co-ouderschapsregeling tot de mogelijkheden?
Hebben de ouders en/of de kinderen (nadere) hulpverlening nodig en zo ja, welke?
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de (definitieve) hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling is aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
de brief van 24 februari 2025 van de zijde van de Raad;
de brief van 21 juli 2025 van de zijde van de Raad, met als bijlage het raadsrapport met kenmerk SK-1-636NBKY
De minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt.
Op 2 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld, gecombineerd met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling, met zaak- en rekestnummer C/09/688929 en FA RK 25-1290. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, dhr. K. Ghanmi:
de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, dhr. B. Zagdoud;
[naam 1] namens de Raad;
[naam 2] namens Jeugdbescherming West (hierna: de gecertificeerde instelling).
De kinderrechter in deze rechtbank heeft op het verzoek van de Raad op 2 september 2025 mondeling beslist en de kinderen voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is op 16 september 2025 gegeven.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
De Raad heeft onderzoek gedaan en een rapport uitgebracht. In het rapport heeft de Raad het volgende naar voren gebracht. Op dit moment verblijven alle kinderen bij de moeder en heeft de moeder het overgrote deel van de tijd de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is al voorlopig bij de moeder bepaald en de Raad acht het niet in het belang van de kinderen om dit te veranderen. De voorlopige hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] was bij de vader bepaald, maar nu [minderjarige 1] volledig bij de moeder verblijft, ook geen contact meer heeft met de vader en de moeder de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor haar draagt, adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] ook bij de moeder te bepalen.
De Raad vindt het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader zo snel mogelijk wordt hervat. Zij hebben een band met hun vader en de vader heeft altijd een zichtbare rol gespeeld in hun leven. Het contact tussen een ouder en een kind mag nooit niet plaatsvinden, omdat de andere ouder daar geen draagkracht voor heeft. De Raad adviseert om de voorlopige zorgregeling zoals in februari vastgesteld voorlopig voort te zetten en deze ook voor [minderjarige 1] vast te leggen, te weten iedere zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de overdracht bij de Action in [plaats] plaatsvindt. Het is belangrijk dat de ouders tijdens de overdracht zo min mogelijk contact hebben om escalaties te voorkomen. De Raad wijst de ouders erop dat zij beiden verantwoordelijkheid hebben voor het nakomen van de zorgregeling. Zij zijn het de kinderen verplicht om voorspelbaar te zijn hierin. De Raad vindt het daarbij van belang dat er een herstelgesprek plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2], aangezien zij al langere tijd geen contact met elkaar hebben gehad.
De ouders zijn op dit moment niet in staat om te overleggen, terwijl dit bij een co-ouderschapsregeling heel belangrijk is. Een dergelijke regeling behoort dus niet tot de mogelijkheden. De woning van de vader is daarbij niet geschikt om vier kinderen, in verschillende leeftijdsfases, op te vangen middels een co-ouderschapsregeling (er is één slaapkamer).
De Raad adviseert ten slotte om de behandeling voor wat betreft de zorgregeling voor de duur van negen maanden aan te houden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gesproken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De man heeft zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, ingetrokken en heeft naar voren gebracht in te kunnen stemmen met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, toe te wijzen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. Er wordt momenteel geen uitvoering meer gegeven aan de door deze rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling. De man heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij op dit moment niet wil dat een zorgregeling wordt vastgesteld, omdat hij graag rust wil voor de kinderen en hij vanuit die positie het contact met de kinderen opnieuw wil opbouwen. De man heeft daarbij ook verzocht de zaak niet langer aan te houden, zodat de strijd tussen partijen kan worden beëindigd. De vrouw heeft (ook) geen zorgregeling verzocht. Gelet hierop zal de rechtbank nu een eindbeschikking geven en geen concrete zorgregeling vaststellen. De rechtbank benadrukt echter dat zij het in het belang van de kinderen acht dat zij ook contact hebben met hun vader. Het is aan beide ouders is om zich ervoor in te spannen dat dit contact zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Gelet op de ondertoezichtstelling, vertrouwt de rechtbank erop dat ouders, in overleg met en/of onder regie van de jeugdbeschermer, gaan werken aan het herstellen en het opbouwen van de omgang tussen de kinderen en hun vader, zodat de kinderen onbelast contact met hun beide ouders kunnen hebben. Met het oog hierop zal de rechtbank bepalen dat een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal worden vormgegeven in overleg met en onder regie van de jeugdbeschermer.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1], [land 1], [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1], [land 1], [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2], [land 2] en [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2], [land 2], bij de vrouw zal zijn;
*
bepaalt dat een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal worden vormgegeven in overleg met en onder regie van de jeugdbeschermer;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
gelast de griffier een afschrift van deze beschikking ook te zenden aan:
Jeugdbescherming west.