RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [V-nummer] , eiser
verweerder van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19623
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als partij-getuige, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Iraanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser heeft op 22 mei 2016 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Aan die asielaanvraag heeft eiser onder meer ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom en dat hij homoseksueel dan wel biseksueel is. Deze asielmotieven zijn door verweerder ongeloofwaardig bevonden en de asielaanvraag is door verweerder afgewezen. Die afwijzing staat in rechte vast. Op 10 februari 2022 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele relatie heeft. Dit asielmotief heeft verweerder ongeloofwaardig bevonden en de asielaanvraag is afgewezen. Ook deze afwijzing staat in rechte vast.
3. Op 27 maart 2024 heeft eiser de huidige, derde asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat sprake is van geloofsgroei.
4. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Dat eiser sinds de vorige procedure een geloofsgroei heeft doorgemaakt, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Omdat sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard, is de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
5. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft te gemakkelijk de zienswijze van eiser terzijde geschoven. Ten onrechte is van doorslaggevend belang geacht dat eiser zich in eerste instantie uit met name praktische overwegingen (wederom) tot de kerk heeft gewend. Dit doet namelijk niet af aan de geloofsgroei die eiser heeft doorgemaakt. Eiser heeft meer kennis over het geloof opgedaan en hij heeft veel activiteiten verricht voor de kerk, waardoor hij meer vertrouwen heeft gekregen in God. Dit heeft ertoe geleid dat eiser innerlijke rust heeft gekregen en daardoor niet langer afhankelijk is van marihuana of kampt met suïcidale gedachtes. Eiser heeft, anders dan verweerder meent, op een overtuigende wijze inzicht gegeven in zijn motieven en het proces van bekering na de afwijzingen van de eerdere asielaanvragen. Eiser wijst daarbij op de citaten die hij heeft aangehaald in zijn zienswijze.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van eiser in rechte vaststaat dat de gestelde bekering tot het christendom in een vorige procedure ongeloofwaardig is bevonden. In deze procedure gaat het om de vraag of verweerder de gestelde geloofsgroei niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
7. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder in opvolgende procedures over geloofsgroei niet ten onrechte uitgaat van een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling. Het asielrelaas waar de vreemdeling op voortborduurt, is eerder namelijk al ongeloofwaardig geacht en die beoordeling is het uitgangspunt van de opvolgende procedure. Verweerder moet de vreemdeling in een opvolgende procedure over geloofsgroei wel de mogelijkheid bieden om ontoereikende verklaringen over een van de drie elementen van een bekering (motieven voor het proces van bekering, kennis van het nieuwe geloof en religieuze activiteiten) te compenseren met overtuigende verklaringen over de andere twee elementen. De als nieuw aangedragen elementen en bevindingen moet verweerder beoordelen in samenhang met wat de vreemdeling in de voorgaande procedure over de gestelde bekering heeft aangevoerd. Dit moet verweerder niet alleen doen als in de voorgaande procedure sprake was van een zogenoemde ‘onvoltooide’ bekering, maar ook als hij het destijds in het geheel niet geloofwaardig vond dat de vreemdeling was bekeerd. Gegevens over geloofsgroei kunnen namelijk een ander licht werpen op wat de vreemdeling eerder heeft verklaard.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van geloofsgroei. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. In beroep heeft eiser verwezen naar zijn zienswijze, waarin hij citaten heeft opgenomen van zijn verklaringen tijdens het gehoor. De rechtbank volgt eiser in zoverre dat deze verklaringen van eiser wel degelijk enig inzicht geven in zijn gestelde geloofsgroei, anders dan verweerder meent. Met deze verklaringen legt eiser onder meer uit hoe hij na zijn eerdere asielprocedures bij de Iraanse kerk terecht is gekomen, dat hij door een betere taalbeheersing en het contact met zijn geloofsgenoten meer kennis heeft kunnen opdoen, wat hij heeft geleerd van de kerkgemeenschap en welke persoonlijke veranderingen eiser heeft doorgemaakt. Zo verklaart eiser dat zijn vertrouwen in God is toegenomen en dat hij toenemend vertrouwt op Gods liefde en bescherming. Ook verklaart hij dat hij na een roerige tijd waarin hij verslaafd is geweest aan drugs, rust heeft gevonden door dichterbij God te komen en dat God hem begeleidt bij al het goede dat op zijn pad is gekomen. Dit heeft verweerder onvoldoende kenbaar betrokken bij het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser verklaard over de diverse activiteiten die hij verricht voor de kerk. Verweerder heeft gevolgd dat eiser activiteiten uitvoert voor de kerk en dat hij inzicht heeft gegeven in hoe deze activiteiten frequenter werden. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd welke waarde wordt gehecht aan de door eiser verrichte activiteiten. Verder heeft eiser bij de correcties en aanvullingen op het gehoor en in beroep steunende verklaringen overgelegd, waaruit onder meer volgt dat eiser is begonnen met een persoonlijke Bijbellezing, geestelijke gesprekken voert, actief deelneemt aan kerkdiensten en de kerk in praktische zin helpt met het voorbereiden van bijeenkomsten. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder de verklaringen van eiser, de aard en de frequentie van eisers activiteiten bij de kerk en de steunende verklaringen in samenhang heeft bezien. Het bestreden besluit bevat dan ook een motiveringsgebrek.
9. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.