Doorhaling akte register burgerlijke stand
Beschikking op het op 10 juli 2025 ingekomen verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de ambtenaar):
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Verzoek
Het verzoek strekt tot doorhaling van de akte van partnerschapsregistratie, nummer 500008 van het jaar 2024, ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Leidschendam-Voorburg op [datum] 2024.
Feiten
Op [datum] 2024 is in de gemeente Leidschendam-Voorburg een akte van partnerschapsregistratie tussen de man en de vrouw opgemaakt.
Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) is dit geregistreerd partnerschap in het BRP verwerkt.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar ministerie aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, worden gelast door de rechtbank. Over wie ‘belanghebbenden’ zijn in de zin van artikel 1:24 lid 1 BW heeft de Hoge Raad als volgt overwogen (ECLI:NL:HR:2025:766). ‘In de wet is het begrip ‘belanghebbenden’ in de zin van art. 1:24 lid 1 BW niet gedefinieerd. Tot de belanghebbenden in de zin van art. 1:24 lid 1 BW behoren degenen die in de akte worden genoemd of stellen dat zij in de ontbrekende akte zouden moeten voorkomen. In dit geval zijn de ouders dus belanghebbenden.
Daarnaast kan een verzoek in de zin van art. 1:24 lid 1 BW worden gedaan door het openbaar ministerie. Uit de wetsgeschiedenis van art. 1:24 BW en zijn voorgangers, weergegeven in de vordering van de Procureur-Generaal onder 4.14-4.20, volgt dat de wetgever steeds voor ogen heeft gehad dat naast het openbaar ministerie niet ook de ambtenaar van de burgerlijke stand de rechter kan verzoeken aanvulling of verbetering van de registers te gelasten. De ambtenaar van de burgerlijke stand behoort daarom niet tot de belanghebbenden in de zin van art. 1:24 lid 1 BW.
Aan de andersluidende uitlatingen van de zijde van de regering die geen onderdeel zijn van de totstandkomingsgeschiedenis van art. 1:24 lid 1 BW (zie de vordering van de Procureur-Generaal onder 4.21) komt geen bijzondere betekenis toe.’
Nu de ambtenaar niet tot de belanghebbenden behoort in de zin van artikel 1:24 lid 1 BW, zal de ambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek tot doorhaling van de akte van partnerschapsregistratie.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de ambtenaar niet-ontvankelijk in zijn verzoek.