[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, referente en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Turkse nationaliteit.
Op 15 november 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) om samen te kunnen wonen met zijn echtgenote, [naam] (referente). Referente heeft daarbij twee meerderjarige dochters uit een eerdere relatie voor wie eiser optreedt als stiefvader.
Bij het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij niet voldoet aan het mvv-vereiste en hij hiervan niet is vrijgesteld. Daarbij heeft verweerder geoordeeld dat het niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM om van eiser te verwachten dat hij voor de aanvraag van een mvv teruggaat naar Turkije. Hierbij wordt wel aangenomen dat eiser familieleven heeft met referente, maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit. Privéleven wordt door verweerder niet aangenomen. Ook neemt verweerder in aanmerking dat het besluit niet getuigt van onredelijke hardheid en er geen bijzondere omstandigheden zijn op basis waarvan eiser ambtshalve alsnog een verblijfsvergunning zou moeten krijgen, dan wel op basis waarvan verweerder aanleiding ziet om van beleid af te wijken. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij haar afwijzing gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard, nu eiser wel degelijk aanvullende stukken in bezwaar heeft ingebracht. Ook is eiser in strijd met de hoorplicht niet gehoord in bezwaar. Verder is eiser van mening dat hij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste omdat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser is namelijk mantelzorger van één van zijn stiefdochters, omdat zij hulpbehoevend is, en referente kan deze taak naast haar werk niet alleen op zich nemen. Hierdoor is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en de stiefdochter. Daarbij had verweerder in de beoordeling mee moeten nemen of er sprake is van een dusdanig sterke band tussen eiser en referente, dat referente niet zonder eiser in staat is om zelfstandig te functioneren. Eiser is ook van mening dat verweerder zijn belangen, die van referente en die van haar dochters onvoldoende heeft afgewogen in de belangenafweging. Er bestaat daarnaast een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid
4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Met ingang van 2 juli 2024 zit asiel in de portefeuille van de minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit is genomen op 27 september 2024 en had daarom uit naam van de minister van Asiel en Migratie genomen moeten worden. Dit is een gebrek in het besluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het besluit is namelijk ondertekend door een ambtenaar van de IND die daartoe bevoegd was op grond van artikel 6.4 en artikel 6.5 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Het mvv-vereiste
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet aan het mvv-vereiste voldoet. In geschil is of verweerder eiser hiervan had moeten vrijstellen.
Verweerder heeft onder andere getoetst of het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hierbij is van belang dat verweerder wel aanneemt dat er sprake is van familieleven tussen eiser en referente, maar niet tussen eiser en zijn stiefdochters. Verweerder heeft namelijk overwogen dat er tussen eiser en zijn (meerderjarige) stiefdochters niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Voorop staat dat de gestelde medische problematiek van één van de stiefdochters in zijn geheel niet met medische stukken is onderbouwd. Ook in beroep niet. Daar komt bij dat, zoals eerder vastgesteld, ter zitting is gebleken dat het niet eiser is die de gestelde mantelzorg levert. Dat eiser bij voorkeur geen medische informatie van zijn stiefdochter met verweerder om voor hem moverende redenen deelt, maakt dit niet anders en komt voor zijn eigen rekening. Het is aan hem om de gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid zoveel mogelijk te onderbouwen. Andere sterke banden tussen eiser en zijn stiefdochters zijn, voor zover gesteld, ook niet onderbouwd. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank dan ook kunnen concluderen dat van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn stiefdochters niet is gebleken.
De belangenafweging – welke alleen heeft plaatsgevonden ten aanzien van het familieleven tussen eiser en referente – heeft daarnaast in eisers nadeel uit mogen vallen. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat er wel sprake is van een objectieve belemmering, heeft verweerder niet hoeven volgen. Ditzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat referente zonder eiser niet kan functioneren. Het had op de weg van eiser gelegen om dit, zo nodig met documenten, zoveel mogelijk te onderbouwen. De stelling van eiser dat verweerder dit had moeten onderzoeken, gaat dan ook niet op. Verder heeft eiser niet kunnen wijzen op specifieke belangen die niet of onvoldoende door verweerder in de belangenafweging zijn meegewogen, dan wel waarom die ten onrechte niet het gewicht hebben gekregen dat die hadden behoren te krijgen.
Ter zitting heeft referente daarbij aandacht gevraagd voor hun situatie. Zo heeft zij verteld dat haar dochter verslechtert en dat er ook bij haarzelf en eiser medische omstandigheden spelen die impact op hun situatie hebben. Daarnaast doet eiser veel moeite om de Nederlandse taal te leren en brengen ze de tijd die ze hebben graag samen als gezin door. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor het gehele gezien de voorkeur geniet dat eiser in Nederland blijft, maakt dit gelet op voorgenoemde overwegingen niet dat verweerder eraan gehouden is eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser af heeft kunnen wijzen op het niet voldoen aan het mvv-vereiste.
Hoorplicht
6. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort.
Eiser heeft in zijn aanvraag en in bezwaar geen stukken overgelegd over de gestelde situatie van zijn stiefdochter, dan wel andere omstandigheden. Daarnaast heeft eiser, voor zover hij stelt moeite te hebben met het delen van (medische) informatie, geen onderhoudend contact hierover met verweerder gezocht. Dit terwijl eiser door verweerder wel is gewezen op het belang van onderbouwende stukken. Verweerder heeft dan ook mogen afzien van horen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eiser is afgewezen.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.