de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. Kortrijk-Fourmon als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Beninse nationaliteit.
Op 8 september 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een asielvergunning. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 25 mei 2018 afgewezen. Hierbij is eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Tussentijds heeft eiseres tot twee keer toe uitstel van vertrek toegewezen gekregen bij besluiten van 30 oktober 2020 en van 23 februari 2023. Op 1 maart 2023 heeft eiseres opnieuw asiel aangevraagd welke niet ontvankelijk is verklaard bij besluit van 26 juli 2023. Hierbij is eiseres ook een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Deze besluiten staan, na beroep en hoger beroep, in rechte vast.
Op 22 april 2024 heeft eiseres een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ingediend (de aanvraag) om bij haar drie minderjarige kinderen te kunnen verblijven omdat zij de zorg voor hen draagt. Dit zijn [minderjarige 1] (7), [minderjarige 2] (4) en [minderjarige 3] (2). Zij hebben rechtmatig verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk. De vader van de kinderen verblijft ook in Nederland.
Bij besluit van 11 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft zich hiervoor op het standpunt gesteld dat eiseres geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en hier niet van is vrijgesteld. Daarbij neemt verweerder wel gezinsleven aan tussen eiseres en haar kinderen en neemt verweerder aan dat er sprake is van privéleven nu eiseres al sinds 2017 in Nederland verblijft. Desalniettemin heeft verweerder geoordeeld dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Daarnaast zijn het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het inreisverbod nog steeds geldig. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn afwijzing gebleven.
Op 12 september 2024 heeft eiseres bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening hangende haar bezwaar tegen het primaire besluit van 11 september 2024 ingediend (zaaknummer NL24.35748). Hierin heeft zij de rechtbank verzocht om haar bezwaar in Nederland af te mogen wachten. Omdat ten tijde van de bekendmaking van het bestreden besluit nog niet op haar verzoek was beslist, wordt dit verzoek behandeld als een verzoek hangende het beroep.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de beoordeling in het bestreden besluit onzorgvuldig en onvolledig is. Hierbij verzoekt zij hetgeen zij eerder heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres voert aan dat verweerder de individuele omstandigheden van de kinderen niet op de juiste manier gewogen heeft. De kinderen hebben geen enkele band met Benin en zijn afhankelijk van hun huidige omgeving in Nederland. Daarbij neemt verweerder ten onrechte aan dat eiseres op een sociaal netwerk kan terugvallen in Benin. Verder schuift verweerder ten onrechte de argumenten van eiseres in bezwaar terzijde als algemeen, terwijl zij uitvoerig heeft verwezen naar het IVRK, het Handvest en werkinstructie (WI) 2020/16 waarbij specifiek rekening gehouden moet worden met de situatie van minderjarige kinderen. Dit heeft verweerder onvoldoende gedaan. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht geschonden door eiseres niet te horen in bezwaar.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist genomen is. Verweerder overweegt hiertoe dat hij de belangen van de kinderen van eiseres in overeenstemming met WI 2020/16 in de besluitvorming heeft betrokken. De algemene omstandigheden in Benin zoals in bezwaar aangevoerd zijn echter geen reden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Daarnaast heeft eiseres zelf tijdens een eerdere hoorzitting verklaard dat zij nog familie in Benin heeft wonen, wat het aannemelijk maakt dat zij hier weer in contact mee kan komen. Verder heeft verweerder eiseres niet hoeven horen, omdat zij in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek op haar of haar kinderen zien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Mvv-vereiste
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet aan het mvv-vereiste voldoet. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat zij hiervan op grond van artikel 8 van het EVRM vrijgesteld zou moeten worden, met name gezien de belangen van haar kinderen.
Verweerder neemt wel aan dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kinderen, en dat eiseres privéleven in Nederland heeft opgebouwd. Desalniettemin valt de belangenafweging uit in haar nadeel. Hierbij heeft verweerder in het kader van familie- en gezinsleven overwogen dat het in eiseres haar voordeel weegt dat haar kinderen beschikken over een geldige verblijfsvergunning in Nederland, dat zij in Nederland zijn geboren, dat [minderjarige 1] in Nederland naar school gaat en [minderjarige 2] naar een voorschool. Dit weegt echter niet op tegen het feit dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Benin uit te oefenen. Van de verwijzing van eiseres naar kinderarmoede en andere leefomstandigheden daar, heeft verweerder kunnen vinden dat dit te algemeen is nu niet is onderbouwd dat haar kinderen daarmee te maken zullen krijgen. Dat de leefomstandigheden in Benin anders zullen zijn dan in Nederland, maakt dat niet zonder meer anders. Daar komt bij dat de kinderen nog jong zijn, hun band met Nederland daardoor beperkt en de verwachting is dat zij veerkrachtig genoeg zijn om zich aan te passen aan een nieuwe omgeving. Dit strekt eveneens tot het maken van nieuwe vrienden of sociale contacten, dan wel het onderhouden van bestaande contacten op afstand. Ook is niet gebleken van indicatoren die de kinderen zullen belemmeren in hun ontwikkeling en gaat verweerder er vanuit dat zij via de achtergrond van eiseres bekend zijn met de taal, cultuur en gewoonten aldaar. Daarbij heeft eiseres zelf aangegeven nog familie in Benin te hebben. Hier kan volgens verweerder eventueel contact mee opgenomen worden. Voor wat betreft de rol van de vader in de opvoeding van de kinderen heeft verweerder overwogen dat de vader de kinderen twee weekenden per maand ziet, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat Nederland het familie- of gezinsleven moet faciliteren. Hij kan evenwel het contact met de kinderen op afstand onderhouden dan wel met eiseres mee reizen naar Benin. Van obstakels hiertoe is niet gebleken.
Uit bovengenoemde blijkt niet dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Ook volgt uit de beroepsgronden niet welke belangen volgens eiseres niet of onvoldoende zijn betrokken bij de belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen. Dat de belangen van de kinderen hierin een rol spelen, wordt niet door verweerder betwist. Ook dat een verhuizing naar Benin niet gemakkelijk zal zijn, wordt in zoverre niet door verweerder betwist, maar dit op zichzelf hoeft niet zonder meer te betekenen dat verweerder het gezinsleven in Nederland moet faciliteren. Bovendien worden de kinderen door verweerder niet gedwongen om Nederland te verlaten, omdat zij hier rechtmatig verblijf hebben. Desalniettemin heeft verweerder getoetst aan de situatie dat de kinderen bij eiseres, hun moeder en primaire verzorger, blijven en met haar mee zullen gaan naar Benin. Daarbij heeft verweerder de relatief jonge leeftijd van de kinderen in de belangenafweging mogen betrekken en kunnen overwegen dat zij door hun jonge leeftijd in staat moeten worden geacht zich aan te passen aan de omstandigheden in Benin. De verwijzing van eiseres naar het arrest Chavez-Vilches slaagt niet. Weliswaar heeft eiseres de dagelijkse zorg voor de kinderen, maar zowel de kinderen als hun vader zijn geen Unieburger. Gelet hierop is het arrest reeds niet van toepassing. Daarnaast is eerder al overwogen dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom het gezinsleven niet in Benin voortgezet zou kunnen worden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel.
Hoorplicht
6. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort.
De rechtbank merkt op dat de manier waarop het gezinsleven thans wordt uitgeoefend en de rol die de vader van de kinderen hierin heeft, het verblijfsrecht van de kinderen en de precieze leeftijd van de kinderen zoals op zitting ter sprake is gekomen, door verweerder niet expliciet in de beoordeling zijn betrokken. Deze aspecten hadden tijdens een hoorzitting kunnen worden uitgevraagd. Desalniettemin heeft eiseres in bezwaar onvoldoende op de zaak toegespitste aspecten naar voren gebracht, al dan niet een aankondiging gegeven van aanvullende stukken of onderbouwing. Verweerder heeft de verwijzingen naar informatie over de situatie in Benin, zoals eerder overwogen, algemeen kunnen achten nu eiseres daarbij niet heeft toegelicht hoe dit op de situatie van haar en haar kinderen ziet. Daarnaast heeft eiseres niet concreet kunnen maken welke belangen van haar kinderen ten onrechte niet of onvoldoende zouden zijn meegewogen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder af heeft kunnen zien van horen in bezwaar.
Refoulementrisico
7. Nu verweerder een eerder opgelegd terugkeerbesluit naar aanleiding van een asielaanvraag handhaaft, heeft de rechtbank ambtshalve getoetst op eventuele schending van het beginsel van non-refoulement bij de uitvoering daarvan in de zin van het arrest Ararat. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarvan, gelet op het dossier, sprake is.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eiseres is afgewezen.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.