[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser 1,
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres,
[eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 3] , eiser 2, en
[eiser 3] , V-nummer: [v-nummer 4] , eiser 3,
(samen: eisers.)
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1971, eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1979, eiser 2 is geboren op [geboortedatum 3] 1998 en eiser 3 is geboren op [geboortedatum 4] 2009. Allen hebben de Syrische nationaliteit.
Op 7 november 2021 heeft [referent] (referent) een aanvraag tot afgifte van een mvv met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) gedaan ten behoeve van eisers. Daarbij is eiser 1 de vader van referent, eiseres zijn moeder, eiser 2 zijn oudere broer en eiser 3 zijn jongere broer. Eisers verblijven momenteel in Syrië.
Bij het besluit van 1 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, omdat referent vlak voor zijn vertrek uit Syrië is gehuwd. Verder worden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiser 1, eiseres en eiser 2 aangenomen. Ook zijn er geen hechte persoonlijke banden aangenomen tussen referent en eiser 3. De conclusie van verweerder is daarom dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en eisers. De belangenafweging valt daarbij in het nadeel van eisers uit. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij haar afwijzing gebleven en is het bezwaar ongegrond verklaard. Tevens is toen opgemerkt door verweerder dat geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt als geen familie- en gezinsleven wordt aangenomen.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Hiertoe voeren eisers aan dat zij van mening zijn dat referent wel onder het jongvolwassenenbeleid valt. Referent heeft geen zelfstandig gezin gevormd en er is sprake van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft geen op het geval toegespitste kenbare beoordeling gemaakt door de omstandigheden van het huwelijk van referent bij de beoordeling te betrekken. Er hoeft naar de mening van eisers dan ook geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Bovendien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom asielgerelateerde aspecten niet in deze beoordeling meegenomen kunnen worden. Verder heeft verweerder, nu familie- of gezinsleven aangenomen moet worden, ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het bestreden besluit. Er is sprake van een ondeugdelijke motivering. Ook is van belang dat er een objectieve belemmering is voor referent om zijn gezinsleven in Syrië uit te oefenen gelet op zijn asielstatus.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is genomen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven met referent. Wat eisers in beroep aan hebben gevoerd, maakt dit niet anders. Zo kan verweerder eisers niet volgen dat referent onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat het huwelijk dat eiser aan is gegaan voor het vertrek van referent kan worden gezien als een stap naar zelfstandigheid en referent in eerste instantie voornemens was om enkel voor zijn vrouw gezinshereniging aan te vragen. Dat het huwelijk inmiddels feitelijk beëindigd zou zijn, maakt niet dat referent thans wel onder het jongvolwassenenbeleid valt. Daarnaast dienen asielgerelateerde aspecten alleen te worden meegenomen in de belangenafweging, terwijl in dit geval geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt omdat geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Verder is niet toegelicht hoe de uitspraak van 29 mei 2024 (zie noot 3) het bestreden besluit anders zou maken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of er sprake is van familie- of gezinsleven tussen een meerderjarig kind (referent) en zijn ouder(s) (eiser 1 en eiseres), in de zin van artikel 8 van het EVRM, zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Voldoet het meerderjarig kind aan één van de vereisten niet, dan valt hij niet onder het jongvolwassenenbeleid.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat referent onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft in het huwelijk een indicatie mogen zien dat referent een eigen gezin wilde stichten. Ter zitting werd door referent ook bevestigd dat het huwelijk niet zozeer feitelijk was geëindigd door een vluchtsituatie, maar doordat referent, zoals hij voor het huwelijk al van plan was, is gaan werken op een vrachtschip. Hij zou gaan werken en weer terugkeren. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat ondanks dat referent en zijn vrouw sinds het huwelijk slechts korte tijd samen zijn geweest, zij nog wel veelvuldig contact hadden en referent volgens de brief van VWN van 4 mei 2023 in eerste instantie wel voornemens was om voor haar gezinshereniging aan te vragen. Dit is echter door haar ouders tegengehouden. Hierdoor voldoet referent ook niet aan de overige voorwaarden, met uitzondering van zijn leeftijd (21 jaar ten tijde van de aanvraag), op het peilmoment, het moment van binnenkomst in Nederland. Referent woonde op dat moment niet (meer) samen met eisers en hij had ook een zelfstandig inkomen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat referent met het aangaan van het huwelijk al niet meer aan de voorwaarden voldeed, maar dat referent door te gaan werken op het vrachtschip ook al niet meer voldeed aan de eisen van samenwoning en financiële afhankelijkheid.
Daarnaast is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiser 1, eiseres en eiser 2 ook niet gebleken. Verweerder heeft erop gewezen dat niet wordt voldaan aan het toetsingskader zoals gegeven in informatiebericht (IB) 2024/57. Eisers hebben in dit kader enkel verwezen naar het jongvolwassenenbeleid – waarvan eerder is overwogen dat referent daar niet onder valt. Daarnaast heeft verweerder onder verwijzing naar WI 2020/16 kunnen overwegen dat asielgerelateerde aspecten, voor zover relevant, in de belangenafweging meegenomen worden en eisers niet hebben toegelicht hoe de algehele veiligheidssituatie in Syrië ertoe zou moeten leiden dat familie- of gezinsleven aangenomen moet worden. Want nu familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet is aangenomen, heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken. Te meer zo nu ook door eisers niet is betwist dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eiser 3. De beroepsgronden voor zover zij zijn aangevoerd tegen het gebrek aan een belangenafweging in het bestreden besluit, slagen daarom niet. Verweerder heeft de aanvraag van eisers gelet op voornoemde overwegingen af kunnen wijzen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eisers is afgewezen.
Eisers krijgen het betaalde griffierecht daarom niet terug. Ook krijgen zij geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.