RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60220
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 december 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 december 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Eiser stelt de Kaapverdische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vermoeden was van illegaal verblijf. Dat hij buiten sliep is daarvoor onvoldoende. Er was dus geen reden om eiser te vragen om een legitimatiebewijs. Verder kan niet worden vastgesteld of de Portugese vertaling van de vrijheidsontnemende maatregel conform artikel 5.3 van het Vb is uitgereikt aan eiser. De vertaling is ongedateerd en bevat geen persoonsgegevens van eiser. Tot slot heeft eiser een paspoort en een Italiaans verblijfsdocument. Verweerder heeft ten onrechte ingezet op terugkeer naar Kaapverdië. Verweerder heeft daarmee niet proportioneel en onvoldoende voortvarend gehandeld.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser is overgenomen na strafrechtelijke heenzending. Eiser was staande gehouden op verdenking van overtreding van artikel 447e van het wetboek van Strafrecht. De rechtbank is niet bevoegd een oordeel te vellen over het strafrechtelijk voortraject, omdat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Daarbij zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser op grond van de Vw staande is gehouden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat eiser slapend op een container is aangetroffen tijdens een fietssurveillance. De rechtbank is het met verweerder eens dat de staandehouding van eiser verband houdt met de uitoefening van een algemene politietaak, in dit geval het controleren van buitenslapers.
7. Verder blijkt uit de maatregel van bewaring dat aan eiser de Portugese vertaling van de maatregel is uitgereikt. Op bladzijde vijf van de maatregel staat namelijk: “Daarbij is aan de vreemdeling(e) de informatiebrief ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ uitgereikt in Portugese taal (welke betrokkene voldoende machtig is, betrokkene kan de brief ook lezen.).” De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen, temeer omdat het hier om een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal gaat. De informatiebrief bevat algemene informatie, waarbij de gronden die op eiser van toepassing zijn zijn aangegeven. Het is niet nodig overige persoonlijke informatie op dit formulier te vermelden.
8. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder terecht inzet op terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Eiser heeft op 19 april 2025 een bevel gekregen om zich naar Italië te begeven. Eiser heeft aangegeven Nederland niet te hebben verlaten. Vervolgens heeft eiser op 15 oktober 2025 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, ertoe strekkende dat eiser moet terugkeren naar Kaapverdië. Dit besluit staat in rechte vast en eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven. Reeds hierom mag verweerder aan terugkeer naar Kaapverdië werken. Bovendien heeft eiser tijdens bovengenoemd gehoor tweemaal aangegeven dat verweerder hem ook naar Kaapverdië mag uitzetten.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.