ECLI:NL:RBDHA:2025:25146

ECLI:NL:RBDHA:2025:25146, Rechtbank Den Haag, 22-07-2025, NL24.46501 en NL24.46502

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-07-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer NL24.46501 en NL24.46502
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag uitstel van vertrek, 64 Vw. Het BMA-advies staat op zichzelf tussen partijen niet ter discussie. Nu dit een deskundigenbericht betreft en eiser niet heeft kunnen wijzen op aanknopingspunten die aanleiding geven voor twijfel, kan verweerder van de juistheid hiervan uitgaan. Daarbij is niet gebleken dat verweerder andere zorgmogelijkheden in het land van herkomst in kaart had moeten brengen of dat eiser bij terugkeer gebonden is aan zijn geboorteplek. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om uitstel van vertrek op medische gronden en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.K. Ehigiene als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en heeft de Ghanese nationaliteit.

Op 14 november 2023 heeft eiser een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Met het besluit van 7 december 2023 heeft verweerder de aanvraag, op basis van een advies van BMA, ingewilligd en uitstel van vertrek verleend voor de periode van 14 november 2023 tot 7 februari 2024.

Op 23 januari 2024 heeft eiser een nieuwe aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw (de aanvraag) teneinde uitstel van vertrek voor een langere periode dan eerder toegewezen te kunnen krijgen.

Bij besluit van 29 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser, ondanks schriftelijk verzoek daartoe, niet de juiste bewijsmiddelen heeft overgelegd om een BMA-advies op te kunnen vragen. Er is daarbij niet gebleken van een geldige reden voor het ontbreken hiervan.

Verweerder heeft naar aanleiding van de gronden in bezwaar en na bestudering van het dossier alsnog een BMA-advies opgevraagd. Het BMA heeft op 31 juli 2024 haar advies uitgebracht en eiser is verzocht op het advies te reageren. Per brief van 18 september 2024 heeft eiser schriftelijk op het advies gereageerd. Ook heeft er op 30 september 2024 een hoorzitting plaatsgevonden.

Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de aanvraag alsnog behandeld en geoordeeld dat eiser geen uitstel van vertrek zal worden verleend. Het bezwaar van eiser is daarmee ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hiervoor gebaseerd op het BMA-advies van 31 juli 2024. Hieruit blijkt dat wordt verwacht dat zonder (preventieve) behandeling, er voor eiser binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. Desalniettemin kan eiser wel reizen en is gebleken dat de nodige behandeling in Ghana aanwezig is zodat een medische noodsituatie voorkomen kan worden. Verder is volgens verweerder niet gebleken dat eiser geen toegang tot de nodige zorg heeft.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat hij over de toegankelijkheid van de medische zorg in Ghana in bewijsnood verkeert. Uit algemene informatie blijkt echter dat de zorg voor hem niet toegankelijk is, omdat de door BMA genoemde zorgverlener in [plaats] ver van eisers geboorteplek ( [geboorteplaats] ) af is – meer dan 220 kilometer – en eiser niet de financiën heeft om de zorg te betalen. Vooral nu de verwachtte kosten boven het Ghanese minimumloon uitkomen en eiser niet in aanmerking zal komen voor een zorgverzekering. Ook heeft eiser geen familie of (sociaal) netwerk in Ghana meer om op terug te vallen. Nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke zorg in Ghana niet toegankelijk is, kan verweerder dit niet terzijde schuiven. Daarnaast is uit openbare bronnen gebleken dat de zorg in Ghana niet adequaat is. Verweerder had hier meer onderzoek naar moeten doen.

Wat vindt verweerder in beroep?

4. Verweerder is van mening dat het bezwaar van eiser terecht ongegrond is verklaard met het bestreden besluit. Zo stelt verweerder dat hij uit heeft mogen gaan van de juistheid van het BMA-advies, nu eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan daaraan getwijfeld moet worden. Het advies beschrijft daarbij dat eiser in staat is te reizen naar Ghana en dat daar de nodige zorg beschikbaar is. Daarnaast is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is, omdat niet is gebleken dat eiser de kosten van de zorg niet kan dragen of dat hij zich niet kan verzekeren. Verder betreft de zorginstelling in [plaats] in het BMA-advies slechts een voorbeeld. Niet is gebleken dat eiser zich enkel in zijn geboortestad kan vestigen of dat er daar (in de buurt) geen geschikte zorginstellingen zijn.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank stelt vast dat de medische beoordeling van BMA zoals beschreven in het advies van 31 juli 2024 op zichzelf niet ter discussie staat. Voor zover van belang, staat hierin dat er naar verwachting binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van behandeling. De behandeling bestaat momenteel uit medicatie en periodieke controles. Desalniettemin kan eiser reizen en is deze noodsituatie, gelet op de beschikbare zorg in Ghana, te voorkomen door voortzetting van de behandeling.

6. In geschil is enkel de feitelijke toegankelijkheid van de zorg voor eiser in Ghana en of verweerder, al dan niet via BMA, niet meer onderzoek had moeten doen hiernaar. De rechtbank is van oordeel dat het aan de vreemdeling is om de kosten van noodzakelijke behandeling in het land van herkomst aan te tonen, en aannemelijk te maken dat deze zorg voor hem om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd en overweegt als volgt.

Ten aanzien van de kosten van de zorg heeft eiser dit – voor een gedeelte van de benodigde medicatie – aangetoond, nu verweerder het ingebrachte kostenoverzicht ook niet betwist als kostenindicatie. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser, los van dat hij niet alle kosten in kaart heeft gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de nodige zorg om financiële redenen voor hem niet feitelijk toegankelijk is. Eiser heeft niet onderbouwd met objectieve informatie waarom hij zich niet zou kunnen verzekeren. Daarbij zet eiser in zijn berekening zijn vaste lasten af tegen het gemiddelde minimumloon in Ghana, maar heeft hij niet onderbouwd waaruit blijkt dat dit ook voor hem zou gelden, dat hij evenwel niet zou kunnen werken of dat hij niet alsnog aanspraak zou kunnen maken op een pensioen of sociale voorzieningen. Hierdoor is ook niet gebleken dat eiser afhankelijk zou zijn van financiële steun vanuit een sociaal netwerk of familie. De brief van een Ghanese arts die eiser in beroep ter onderbouwing hiervan heeft ingediend behoeft geen bespreking meer, nu eiser zelf ter zitting heeft aangegeven dat deze niet bruikbaar is.

Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat hij in beginsel uit kan gaan van de juistheid van het BMA-advies, wat een deskundigenbericht betreft, en eiser niet op een contra-expertise of concrete aanknopingspunten heeft kunnen wijzen die aanleiding geven tot twijfel. Zo heeft verweerder kunnen toelichten dat de in het advies genoemde zorginstelling in [plaats] in Ghana, slechts ter voorbeeld heeft gediend voor het advies om te beoordelen of de noodzakelijke zorg in Ghana aanwezig is en dit voor het advies volstaat. De rechtbank stelt vast dat ook in het BMA-protocol wordt uitgegaan van de aanwezigheid van de gevraagde medische behandeling, als dit op “enige plek en op een bepaald moment” aanwezig is. Niet is gebleken dat verweerder eraan gehouden was andere zorglocaties, al dan niet nabij de geboorteplek van eiser, in kaart te brengen. Ook niet is gebleken dat eiser bij terugkeer gebonden is aan zijn geboorteplek, dan wel dat er daar in de buurt geen alternatieve zorginstellingen zijn. Dat reisafstand in de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2022 wel een overweging is, kan eiser evenmin baten. Uit de overwegingen van de Afdeling volgt dat verweerder namelijk het samenstel van factoren, zoals de reisafstand tussen de woning van de vreemdeling en de zorginstelling, de vergevorderde leeftijd van de vreemdeling en zijn afhankelijkheid van een steunnetwerk, onvoldoende in de beoordeling had betrokken in het licht van het dermate complexe ziektebeeld en de heel intensieve behandeling van de vreemdeling. Dit betekent echter niet dat de reisafstand ook voor eiser een belemmerende factor moet vormen, vooral nu niet is gebleken dat eiser is gebonden aan zijn geboorteplek.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het verzoek van eiser tot uitstel van vertrek is afgewezen.

8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?