[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag op verblijf onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K.K. Mkrttsjan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Oekraïense nationaliteit.
Op 24 maart 2022 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot verblijf onder de Richtlijn, en daarbij een (onvolledige) asielaanvraag gedaan.
Bij het besluit van 31 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Niet is gebleken dat eiseres behoort tot een van de doelgroepen zoals genoemd in de Richtlijn. Met het besluit van 14 december 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij haar afwijzing gebleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, zoals bedoeld in de Richtlijn. Zij betwist niet dat zij vóór de peildatum al uit Oekraïne was vertrokken. Eiseres bepleit echter dat verweerder hierbij in aanmerking had moeten nemen dat zij nooit haar hoofdverblijf buiten Oekraïne heeft gehad en haar intentie altijd is geweest om terug te keren, maar dit vanwege omstandigheden buiten haar om onmogelijk was. De uitleg van verweerder is dan ook te strikt. Zij is daarbij van mening dat zij als ontheemde in de zin van artikel 2c van de Richtlijn kan worden aangemerkt. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat onder de richtlijn valt vanwege de relatie met haar zus, [naam], die ook in Nederland tijdelijk verblijf heeft op grond van de Richtlijn. Eiseres heeft namelijk tot het huwelijk van haar zus en nu in Nederland altijd met haar zus samengewoond. Daarbij wordt eiseres door haar zus financieel ondersteund en is zij zowel financieel als emotioneel van haar afhankelijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij primair aanvoert wel onder de doelgroep van de Richtlijn te vallen als gezinslid van haar zus, die momenteel op grond van de Richtlijn in Nederland verblijft, en als ontheemde gezien moet worden. Subsidiair stelt zij dat verweerder de Richtlijn te strikt uitlegt en toepast, omdat verweerder haar intenties om Oekraïne als hoofdverblijf te houden ten onrechte niet in de beoordeling heeft meegenomen.
Niet in geschil is dat eiseres vóór de peildatum van 27 november 2021 al uit Oekraïne was vertrokken. Verweerder heeft dan ook tegen kunnen werpen dat eiseres niet als gezinslid van haar zus onder de Richtlijn valt. Zo heeft eiseres zelf verklaard dat zij op 27 november 2021 en/of 24 februari 2022 niet met haar zus samenwoonde. Bovendien woonden eiseres en haar zus al langer niet meer samen, nu eiseres in 2019 al Oekraïne verliet om in China te gaan werken als lerares en haar zus op enig moment daarvoor al met haar echtgenoot is gaan samenwonen. Van gezinsleven tussen eiseres en haar zus op de peilmomenten is dan ook niet gebleken. Dat eiseres door omstandigheden nu bij haar zus woont en door haar wordt ondersteund en onderhouden, heeft verweerder voor deze beoordeling niet relevant hoeven achten. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat, indien eiseres stelt afhankelijk te zijn van haar zus, zij een daartoe strekkende aanvraag kan doen. Daarnaast wordt eiseres niet gevolgd in de stelling dat zij alsnog gezien moet worden als ‘ontheemde’ in de zin van de Richtlijn. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het inherent is aan het wel of geen recht hebben op bescherming onder de Richtlijn of iemand als ontheemde wordt gezien. De werkinstructie (WI) 2022/17 veronderstelt ook dat iemand die niet onder de doelgroep valt, voor wat betreft de toepassing van de Richtlijn niet ontheemd is geraakt door het conflict. Eiseres kan dan ook niet als ‘ontheemde’ worden aangemerkt.
De stelling van eiseres dat verweerder de Richtlijn te strikt toepast, wordt evenmin gevolgd. Voorop staat dat Nederland er volgens WI 2022/17 een ruimhartiger beleid op na houdt dan noodzakelijk, door ook Oekraïners die binnen 90 dagen vóór de in het Uitvoeringsbesluit gegeven peildatum van 24 februari 2022 het land zijn ontvlucht in de doelgroep mee te nemen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de reden van vertrek en de reden waarom niet teruggekeerd zou kunnen worden naar Oekraïne niet ter zake doet bij de beoordeling van tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn. Ook uit de Kamerstukken waar eiseres naar heeft verwezen blijkt niet dat verweerder in de beoordeling met de intenties van de vreemdeling rekening dient te houden. Nog daargelaten dat eiseres haar gestelde intenties om Oekraïne als hoofdverblijf aan te houden, ondanks haar verblijf in China en Rusland, niet verder heeft onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eiseres is afgewezen.
6. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.