ECLI:NL:RBDHA:2025:25151

ECLI:NL:RBDHA:2025:25151, Rechtbank Den Haag, 08-07-2025, NL25.6007

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer NL25.6007
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep tegen de oplegging van een ongewenstverklaring. Niet is gebleken dat verweerder niet alle relevante element bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft aan kunnen nemen dat eiser nog steeds een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt. Van een positieve gedragsverandering is ook niet gebleken. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ongewenstverklaring.

Met het besluit van 28 mei 2024 is eiser ongewenst verklaard. Met het bestreden besluit van 13 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de oplegging van de ongewenstverklaring gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Poolse nationaliteit.

Eiser is meermaals met de Nederlandse politie in aanraking gekomen sinds 4 november 2019. In de periode van december 2019 tot maart 2023 heeft eiser zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven, met name (maar niet uitsluitend) winkeldiefstal. Hiervoor heeft eiser meerdere (korte) gevangenisstraffen opgelegd gekregen, variërend van drie dagen tot vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. Blijkens het vonnis van 29 juni 2023 is aan eiser een ISD-maatregel opgelegd voor de duur van één jaar.

Met het besluit van 24 september 2020 heeft verweerder, op aangeven van de eenheid Den Haag van de Nationale Politie, vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en Nederland moet verlaten. Op 22 december 2020 is eiser Nederland uitgezet.

Op enig moment is eiser weer naar Nederland teruggekomen. Met het besluit van 6 maart 2023 heeft verweerder, ditmaal op aangeven van de Koninklijke Marechaussee (KMar), opnieuw vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en Nederland moet verlaten. Met het besluit van 14 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij haar oordeel gebleven.

Bij het besluit van 28 mei 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser, op verzoek van de AVIM, een ongewenstverklaring opgelegd en het EU-verblijfsrecht beëindigd. Verweerder overweegt hiertoe dat zij eerder al vastgesteld had dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Daar komt bij dat eiser een veelpleger is die onherroepelijk is veroordeeld voor zestien strafbare feiten, en aan hem in 2023 een ISD-maatregel voor één jaar is opgelegd. Uit het reclasseringsrapport blijkt ook dat eiser in Nederland geen zelfstandig en stabiel bestaan op heeft kunnen bouwen en dat het recidiverisico hoog is. Hierdoor is verweerder van oordeel dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijk openbare-ordecriterium). Met het bestreden besluit van 13 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn oordeel gebleven.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat tijdens de ISD-maatregel is gewerkt aan positieve gedragsverandering. Eiser bepleit daarom dat hem tijd gegund moet worden om zich verbeterd te tonen. Ook is de duur van de maatregel van belang nu hem niet twee jaren maar slechts één jaar is opgelegd. Verder kan verweerder hem niet een recente aanhouding van 1 november 2024 tegenwerpen, omdat hier niet uit af te leiden valt dat hij nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, nu hij naar aanleiding daarvan niet is vervolgd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij zijn beoordeling of het persoonlijk gedrag van een vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van samenleving aantast, alle feiten en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten, zoals onder meer de aard en ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan.

5. Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken dat eiser in 2019 vanuit Polen naar Nederland is gekomen om te werken. Hij heeft destijds drie maanden in een magazijn gewerkt, en later in juli en augustus van 2022 nog arbeid verricht. Desalniettemin heeft eiser tussen 2021 en 2023 zestien misdrijven gepleegd, welke voornamelijk winkeldiefstallen betreffen. Naast het inbreuk op het eigendomsrecht, heeft eiser hiermee ook overlast en schade veroorzaakt. Hiertoe is onder verwijzing naar de schade die hij heeft aangericht en het risico op herhaling dat uit het reclasseringsrapport van 7 juni 2023 volgt, aan eiser een ISD-maatregel opgelegd voor de duur van één jaar door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland. Dit staat beschreven in het vonnis van 29 juni 2023. Het doel van de ISD-maatregel staat daarbij beschreven als de beveiliging van de samenleving en dat tijdens de tenuitvoerlegging van de maatregel naar het vertrek van eiser uit Nederland toe zal worden gewerkt. Daarnaast heeft verweerder ook in de besluitvorming betrokken dat uit het eerder genoemde reclasseringsrapport blijkt dat het eiser niet is gelukt om zelfstandig een stabiel bestaan op te bouwen in Nederland. Benoemd is daarbij dat het eiser aan huisvesting, werk en inkomen ontbreekt in Nederland, evenals een positief adequaat netwerk van familie en vrienden. Overwogen wordt hierbij door verweerder dat eiser in Polen wel familie heeft en bekend is met de taal en cultuur. Verder is eiser tot twee keer toe naar Nederland teruggekeerd terwijl hij wist dat dit in strijd is met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Op 1 november 2024 is eiser bovendien nog door meerdere politieambtenaren met geweld aangehouden.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet alle relevante elementen bij zijn beoordeling heeft betrokken. Op basis van het vonnis en het reclasseringsrapport heeft verweerder kunnen aannemen dat eiser nog steeds een werkelijke, actuele en ernstige dreiging vormt. De stelling van eiser dat verweerder niet in acht heeft genomen dat de ISD-maatregel slechts voor één jaar is opgelegd, kan hem niet baten nu verweerder dit in de beoordeling heeft meegenomen. Daarbij heeft verweerder terecht gekeken naar de onderliggende reden waarom de ISD-maatregel is opgelegd; namelijk ter bescherming van de maatschappij en ter voorbereiding van de terugkeer van eiser naar Polen. Ook is gelet op het gewenste vertrek één jaar voldoende geacht. Aan het feit dat eiser tot tweemaal toe is teruggekomen nadat hij ongewenst is verklaard, kan verweerder de conclusie verbinden dat eiser zich door de strafbaarstelling van zijn aanwezigheid in Nederland niet heeft laten weerhouden. Van een positieve gedragsverandering is, los van dat eiser hier ook in beroep geen verdere onderbouwing voor heeft gegeven, dan ook niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. de Wit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?