[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, en zijn inhoudelijke beroep tegen de alsnog gevolgde afwijzing door verweerder van zijn aanvraag.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referente, A. Polo als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Op 15 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld tot het geven van een nadere reactie. Verweerder heeft hierop bij brief van 22 juli 2025 gereageerd en eiser bij brief van 24 juli 2025.
Partijen hebben toestemming gegeven voor uitspraak zonder tweede zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 augustus 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Syrische nationaliteit.
Op 12 januari 2022 heeft [naam] (referente) als echtgenote van eiser een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel ‘nareis’ (de aanvraag), ten behoeve van eiser.
Bij besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertoe heeft verweerder eiser tegengeworpen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband ten tijde van de inreis van referente in Nederland. Zo heeft referente niet aannemelijk gemaakt dat er ten tijde van belang sprake is geweest van een feitelijke invulling van haar huwelijksrelatie met eiser. Ook was de gestelde feitelijke gezinsband tussen referente en eiser al verbroken vóór binnenkomst van referente in Nederland. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit van verweerder.
Per brief van 23 oktober 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder niet op tijd een beslissing heeft genomen op het bezwaar van eiser. Nadat verweerder ook na de brief niet op tijd op het bezwaar van eiser had beslist, heeft hij op 20 november 2024 beroep bij de rechtbank ingediend tegen het niet tijdig beslissen. Dit beroep betreft de onderhavige zaak. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2025 alsnog op het bezwaar van eiser heeft beslist en is hierin bij zijn eerdere afwijzing gebleven. Omdat de rechtbank nog niet op het beroep tegen de niet tijdige beslissing had beslist en eiser het niet eens is met het bestreden besluit, is het beroep van eiser omgeklapt tot een inhoudelijk beroep tegen het bestreden besluit.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en beschouwt hetgeen eerder aangevoerd als herhaald en ingelast. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de Gezinsherenigingsrichtlijn (Gri) strenger uitlegt dan is beoogd. Hiervoor verwijst eiser onder meer naar het arrest XC en een uitspraak van de Afdeling. Verweerder miskent namelijk dat een verbroken gezinsband hersteld kan worden en dat er ten tijde van de beoordeling van de aanvraag een tweede peilmoment geldt. Tussen eiser en referente is, ondanks hun eerdere scheiding van 2016 tot en met 2021, de band immers weer hersteld. Daarbij staat voorop dat de scheiding is veroorzaakt door de vlucht van eiser uit Syrië. Het valt daarnaast eiser noch referente te verwijten dat zij in die periode van 2016 tot en met 2021 geen contact met elkaar hebben gehad. Daar valt dan ook niet uit af te leiden dat eiser niet de wil had om met referente te worden herenigd. Ditzelfde geldt ten aanzien van de korte relatie die referente tussentijds met een andere man heeft gehad, nu verweerder geen rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Verder moet verweerder alle relevante factoren betrekken bij de vraag of er sprake is van werkelijk gezinsleven, zowel voorafgaand, als tijdens, als na het peilmoment. Dit is gelet op voorgenoemde ten onrechte niet gedaan. Tot slot heeft verweerder in strijd met de hoorplicht eiser en referente in bezwaar niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar
4. Verweerder heeft inmiddels besloten op het bezwaarschrift van eiser. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift is daarom niet-ontvankelijk. Wel ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen nu verweerder, ondanks de geldige ingebrekestelling, te laat op het bezwaarschrift heeft beslist. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken.
Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank het beroep tegen het uiteindelijk genomen besluit verder inhoudelijk behandelen.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit – de afwijzing van de aanvraag
Was er sprake van een feitelijke gezinsband?
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat hij met zijn werkwijze een juiste invulling heeft gegeven aan artikel 9, tweede lid, van de Gri. Deze werkwijze houdt in dat alleen gezinsleden die op de peilmomenten tot het gezin van een referent behoren, in aanmerking komen voor nareis. Het eerste peilmoment is het moment van de inreis van de referent in Nederland. Op dat moment moet de feitelijke gezinsband dus bestaan. Is dat het geval, dan beoordeelt verweerder vervolgens ook nog of op het moment van het nemen van het besluit de feitelijke gezinsband nog (of: weer) aanwezig is. Dit is het tweede peilmoment.
Eiser en referente zijn gehuwd in 2016 en eiser is datzelfde jaar uit Syrië gevlucht naar Libië en van daaruit doorgereisd naar Italië. Referente is in Syrië gebleven. Vanaf het vertrek van eiser uit Syrië hebben hij en referente geen contact meer met elkaar gehad. Op enig moment in 2020 of 2021 heeft referente enige tijd een relatie met een andere man gehad. Tijdens deze relatie is zij zwanger geraakt. In september 2021 is referente Nederland ingereisd. Daarna, eind 2021/begin 2022, is referente via een vriendin weer in contact gekomen met eiser, die tot op heden in Italië verblijft, en hebben zij hun relatie weer opgepakt. Het kind van referente is in januari 2022 geboren. Eiser is hierbij aanwezig geweest. Ter zitting is verder naar voren gebracht dat eiser en referente samen een kind verwachten.
Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij en referente tussen 2016 en omstreeks eind 2021 geen contact meer met elkaar hebben gehad en niet is gebleken dat zij in deze periode contact met elkaar hebben gezocht. Eiser heeft niet uit kunnen leggen waarom het al die jaren niet mogelijk was om via vrienden, familie, hulporganisaties of anderszins met elkaar in contact te komen. Daarbij komt dat referente een nieuwe relatie is aangegaan in die periode en dat eiser in Italië geen aanvraag tot gezinshereniging heeft gedaan. Het contact is uiteindelijk pas na de inreis van referente in Nederland hersteld, op welk moment eiser en referente elkaar vijf jaar niet hadden gezien of gesproken.
Alle omstandigheden in samenhang genomen heeft verweerder dan ook kunnen oordelen dat, ongeacht of het in deze zaak gaat over “feitelijke gezinsband” of “werkelijk gezinsleven” zoals eiser stelt, de band op het eerste peilmoment hoe dan ook was verbroken. Verweerder hoefde daarom niet te toetsen of deze band op een later moment is hersteld. De door eiser ingeroepen rechtspraak geeft de rechtbank geen grond om hier anders over te oordelen.
Had verweerder ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM moeten toetsen?
6. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat verweerder gehouden was om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 (onder r.o. 4.1) en informatiebericht (IB) 2024/7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat hij in dit geval niet gehouden was om deze toets ambtshalve te maken en heeft hiervoor eveneens naar IB 2024/7 verwezen.
In de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (op basis waarvan IB 2024/7 is opgesteld) staat onder rechtsoverweging 6.4 dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Het is naar het oordeel van de Afdeling aan verweerder om in elke nareiszaak deugdelijk te motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder kan hiervoor verwijzen naar toepasselijk beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In IB 2024/7 staat dat verweerder niet ambtshalve toetst aan artikel 8 van het EVRM wanneer er voor de desbetreffende categorie een regulier kader bestaat.
Na heropening heeft de rechtbank verweerder gevraagd of IB 2024/7 de eerder genoemde deugdelijke onderbouwing bevat en waaruit deze bestaat, dan wel hoe het ontbreken ervan zich verhoudt tot de genoemde uitspraak van 22 december 2023.
In reactie hierop heeft verweerder aangegeven dat in IB 2024/7 geen motivering wordt gegeven. Het bestreden besluit bevat wel een motivering, maar verweerder erkent dat deze motivering niet zeer uitgebreid en onvolledig is. Verweerder heeft nader toegelicht dat is besloten om deze toets in de in IB 2024/7 genoemde gevallen niet te doen, om te voorkomen dat de nareisprocedure wordt misbruikt voor doeleinden waarvoor deze niet is bedoeld. In de nareisprocedure wordt getoetst aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw. Er worden in deze procedure geen leges geheven en het is niet bedoeld als gratis toets aan artikel 8 van het EVRM voor personen die niet in aanmerking komen voor een vergunning op grond van nareis. Een toets aan artikel 8 van het EVRM kost daarbij meer tijd en capaciteit en het is niet onevenredig bezwarend om van eiser te vragen dat hij een reguliere aanvraag indient. Daarnaast acht verweerder een ambtshalve toets niet noodzakelijkerwijs in het belang van eiser, nu bij een reguliere aanvraag, afhankelijk van de categorie aanvraag, wordt getoetst aan het recht van de Europese Unie en/of het nationale juridische kader. Artikel 8 van het EVRM blijft dan nog over als resttoets en geeft op zichzelf geen recht op domiciliekeuze. Een verblijfsvergunning regulier met de beperking ‘verblijf als gezins- of familielid’, indien ingewilligd, geeft dit wel, namelijk in Nederland. Verweerder erkent daarbij dat de doorverwijzing naar de reguliere procedure niet in alle gevallen voor de hand ligt, zoals bij meerderjarige kinderen van referenten met een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Voor hen is, indien de nareisaanvraag wordt afgewezen, een toetsing van artikel 8 van het EVRM nog het enige reguliere kader dat ter beschikking staat. Verweerder verzoekt de rechtbank daarmee om het motiveringsgebrek te passeren dan wel de rechtgevolgen in stand te laten.
Eiser wijst er in zijn reactie op dat met de scheiding tussen asiel- en reguliere zaken, voorbij wordt gegaan aan de verwevenheid tussen het Unierecht en het EVRM. Ook uit uitspraken van de Afdeling blijkt volgens hem dat een verzoek naar de feitelijke individuele omstandigheden beoordeeld moet worden en dat van daaruit bekeken moet worden welke normen van toepassing zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 blijk uit rechtsoverweging 6.3 dat op verweerder de verplichting rust om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen, hetzij met enige ruimte voor verweerder. Desalniettemin heeft verweerder in de uitspraak van 20 november 2024 toegelicht dat verweerder bij de conclusie dat er geen feitelijke gezinsband is, ambtshalve moet doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Nu verweerder in dit geval stelt dat er geen sprake was van een feitelijke gezinsband op het peilmoment, had hij volgens zijn eigen toelichting dan ook ambtshalve moeten doortoetsen, aldus eiser.
De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Hierdoor is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe is van belang dat verweerder het gebrek met zijn nadere reactie adequaat heeft hersteld. Verweerder heeft alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom hij in dit geval geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot doortoetsen. De door eiser ingeroepen rechtspraak maakt dit oordeel niet anders.
Had verweerder eiser en referent moeten horen in bezwaar?
7. Hoewel het uitgangspunt is dat verweerder hoort in bezwaar, kan verweerder hier in gevallen van afzien. Voorop staat dat uit voorgenoemde overwegingen volgt dat verweerder op basis van de bekende feiten en omstandigheden heeft kunnen oordelen dat er geen sprake was van een feitelijke gezinsband of werkelijk gezinsleven. Eiser heeft in bezwaar niet op nieuwe feiten of omstandigheden kunnen wijzen die tot een ander oordeel hadden kunnen leiden. Daarnaast is zowel in bezwaar als in beroep niet gebleken wat eiser en referente in een hoorzitting anders naar voren hadden kunnen brengen dat van invloed op de beoordeling had kunnen zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder van horen in bezwaar af heeft kunnen zien.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk.
Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit is gegrond, omdat dit onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen en heeft geen ambtshalve toets op grond van artikel 8 van het EVRM hoeven doen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na de heropening met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het betaalde griffierecht van eiser vergoeden.
Omdat verweerder te laat een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn vastgesteld op € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.