de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres bij besluit van 6 juni 2024 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 2 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Surinaamse nationaliteit.
Sinds 1 september 2021 heeft eiseres een verblijfsvergunning gehad met als verblijfsdoel ‘studie’, geldig tot 30 november 2024. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken met het besluit van 22 januari 2024, per 1 september 2022 omdat eiseres per die datum is uitgeschreven door de [universiteit 1]. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt, welke met het besluit van 13 mei 2024 ongegrond is verklaard.
Op 20 oktober 2022 is eiseres begonnen aan een studie ‘Verzorgende IG – niveau 3’ bij [naam instituut] te [plaats].
Per 1 september 2023 heeft eiseres een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘studie’ verkregen via de [universiteit 2] ([universiteit 2]). De [universiteit 2] heeft verweerder echter laten weten dat zij eiseres per 31 januari 2024 hebben uitgeschreven, omdat zij is gestopt met haar studie. Bij brief van 13 mei 2024 heeft verweerder eiseres daarom laten weten voornemens te zijn haar verblijfsvergunning in te trekken. Hierop heeft eiseres niet gereageerd.
Bij besluit van 6 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiseres niet langer voldoet aan de beperking waaronder haar verblijfsvergunning is verleend. Ook heeft verweerder geen aanleiding gezien om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van zijn eigen beleid. Daarnaast wordt eiseres een terugkeerbesluit opgelegd dat voorschrijft dat eiseres terug moet naar Suriname. Met het bestreden besluit van 2 januari 2025 is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Hiertoe voert eiseres aan dat in haar geval aan de doelen van de regelgeving zoals de wetgever het heeft bedoeld, wordt voldaan. Zij volgt namelijk een studie voor een beroepsgroep die grote tekorten kent en zij is een serieuze student die – los van haar wijziging van studie – niet is afgehaakt. Door haar verblijfsvergunning in te trekken kan zij haar studie niet afmaken. Dat [naam instituut] geen erkende referent is, acht eiseres dan ook een te formalistische benadering. Daarbij is verweerder er niet aan gehouden om haar verblijfsvergunning in te trekken, nu artikel 3.91b van het Vreemdelingenbesluit een zogeheten ‘kan-bepaling’ betreft. Dit houdt in dat verweerder een belangenafweging had moeten maken wat ten onrechte niet is gebeurd. Ook zijn er genoeg bijzondere omstandigheden op grond waarvan van beleid afgeweken kan worden, omdat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot het beoogde doel. Eiseres ziet daarom in het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Verder heeft verweerder de hoorplicht geschonden door eiseres niet in bezwaar te horen, te meer zo nu een belangenafweging had moeten worden gemaakt en het verblijfsrecht wordt beëindigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
4. Ter zitting is gebleken dat eiseres haar opleiding tot ‘Verzorgende IG – niveau 3’ inmiddels met succes heeft afgerond en dat zij zich wil inschrijven voor een hbo vervolgstudie. Verweerder heeft naar aanleiding van deze mededeling het procesbelang ter discussie gesteld en de rechtbank verzocht om een oordeel hierover. De rechtbank ziet, gelet op de zorgen die door eiseres ter zitting zijn geuit over de gevolgen van de onderhavige intrekking voor toekomstige aanvragen en nu verweerder deze zorgen op zitting niet heeft kunnen wegnemen, geen reden om aan te nemen dat eiseres geen belang (meer) heeft bij een uitspraak in deze procedure. De rechtbank zal dan ook overgaan tot inhoudelijke behandeling van het beroep.
Intrekking verblijfsvergunning
5. Verweerder kan een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘studie’ ingevolge artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb intrekken indien de houder van die vergunning niet meer studeert aan een als referent erkende onderwijsinstelling.
Eiseres heeft als laatste een verblijfsvergunning toegekend gekregen voor een studie per 1 september 2023 aan de [universiteit 2]. Zij betwist niet dat de [universiteit 2], die voor haar verblijfsvergunning optrad als erkende referent, haar heeft uitgeschreven per 31 januari 2024, omdat zij intussen was gestopt met haar studie. Hiermee staat vast dat eiseres vanaf dat moment niet meer voldeed aan de beperking van haar verblijfsdoel en dat verweerder bevoegd was om haar verblijfsvergunning in te trekken. Artikel 3.91b van het Vb is inderdaad, zoals eiseres terecht opmerkt, een kan-bepaling. Volgens zijn beleid trekt verweerder een verblijfsvergunning echter in wanneer niet langer aan de beperking wordt voldaan waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet tot intrekking mocht overgaan. Daarbij weegt mee verweerders toelichting dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een stelsel waarin de betrokken vreemdeling voor haar verblijfsrecht is gekoppeld aan een erkende referent en zijn terechte opmerking dat eiseres bekend kan worden geacht met deze procedure nu zij al eerder een verblijfsvergunning met hetzelfde verblijfsdoel heeft gehad. Dat verweerder er een té formalistische benadering op na zou houden, wordt dan ook niet gevolgd.
Hoewel het begrijpelijk is dat eiseres haar investeringen in tijd en geld – en die van haar familie – niet verloren wil zien gaan en dat zij graag haar gekozen opleiding en carrière voortzet, heeft verweerder hierin, mede gelet op voorgenoemde overwegingen, geen aanleiding hoeven zien om van intrekking af te zien.
Hoorplicht
6. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort.
Eiseres heeft ook in bezwaar niet betwist dat zij door de [universiteit 2] per 31 januari 2024 is uitgeschreven en zij daardoor niet langer aan de beperking van haar verblijfsvergunning voldeed. Nu de feiten niet ter discussie stonden en eiseres vooral heeft verwezen naar de opleiding bij [naam instituut] die zij graag af wilde maken – welke niet de referent voor haar verblijfsvergunning was en waarvan ook eiseres niet betwistte dat dat geen erkende referent is – heeft verweerder naar oordeel van de rechtbank af kunnen zien van horen in bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat verweerder de verblijfsvergunning van eiseres mocht intrekken.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
9. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.