[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Op 4 januari 2024 heeft de echtgenote van eiser, [referente] (referente), een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referente’ (de aanvraag), ten behoeve van eiser.
Bij besluit van 18 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste, omdat het inkomen van referente niet zelfstandig en voldoende is. Ook is niet gebleken dat eiser hiervan is vrijgesteld, nu referente niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt daarnaast uit in het nadeel van eiser. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn afwijzing gebleven en heeft hij eisers bezwaar ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat dit besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel is genomen. Hierbij beschouwt eiser hetgeen in bezwaar aangevoerd als herhaald en ingelast. Eiser voert ter onderbouwing van zijn standpunt aan dat verweerder niet transparant is geweest. Niet bekend is namelijk wie verweerder van het UWV heeft gesproken over de situatie van referente, welke informatie in dat gesprek is gedeeld en eiser en referente zijn niet in de gelegenheid gesteld op deze informatie te reageren. Ook niet is duidelijk waarom verweerder niet de herkeuring van referente af heeft gewacht, terwijl deze informatie van belang is voor de toetsing van de aanvraag. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte afgezien van horen in bezwaar, nu verweerder hierin bovenstaande had kunnen bespreken. Daarbij is horen in bezwaar een essentieel onderdeel van de procedure waarvan niet zomaar afgeweken kan worden. Verder heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de medische omstandigheden van referente en wordt met de afwijzende beslissing een inbreuk gemaakt op het recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Middelenvereiste
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referente ten tijde van zowel het primaire besluit als het bestreden besluit niet voldeed aan het middelenvereiste. Zij beschikte niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan. Evenmin is in geschil dat dit ook nu nog de situatie is. Het gaat in deze zaak om de vraag of referente voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste.
Verweerder neemt, zoals beschreven in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geen blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aan als iemand een WIA-uitkering ontvangt op grond van de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Voor het aannemen van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid verlangt verweerder namelijk dat de referent een uitkering ontvangt op grond van de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het beleid dat verweerder in dit kader hanteert niet onredelijk is. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om daar nu anders over te oordelen.
Ten tijde van het primaire besluit ontving referente een WGA-uitkering. Nadat eiser in de gronden van zijn bezwaar van 25 juni 2024 had aangegeven dat er op korte termijn een wijziging in de situatie van referente was te verwachten, heeft verweerder tot 14 januari 2025 gewacht met het nemen van een besluit op eisers bezwaar. In de tussentijd heeft eiser geen nieuwe informatie van het UWV ingebracht. Verweerder heeft te kennen gegeven dat hij, omdat hij niets meer van eiser had vernomen, in december 2024 zelf middels een schriftelijk informatieverzoek contact heeft gehad met het UWV. Daaruit kwam naar voren dat de situatie van referente – ook na de herkeuring die op 11 november 2024 heeft plaatsgevonden – niet was veranderd. Zij ontving nog steeds een WGA-uitkering. Verweerder mocht er op basis van deze informatie in het bestreden besluit dan ook van uitgaan dat er ook op dat moment geen sprake was van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft gelijk dat het UWV ten tijde van het bestreden besluit nog geen besluit had genomen naar aanleiding van de herkeuring, maar de omstandigheid dat verweerder hier niet op heeft gewacht, leidt al niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit omdat het UWV in haar nieuwe beslissing van 15 april 2025 naar aanleiding van de eerder genoemde herkeuring alsnog niet tot een IVA-uitkering heeft besloten.
Dat verweerder het informatiebericht dat hij van het UWV heeft ontvangen niet aan eisers dossier heeft toegevoegd maakt dit reeds niet anders, nu de door het UWV verstrekte informatie is terug te vinden in het bestreden besluit en over de juistheid van die informatie geen verschil van mening bestaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat referente niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste op grond van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
Medische omstandigheden
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de medische omstandigheden van referente die het haar onmogelijk maken om te reizen. De rechtbank begrijpt deze grond zo dat eiser stelt dat sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven – hetgeen tussen eiser en referente wel door verweerder is aangenomen – in Marokko uit te kunnen oefenen. Deze beroepsgrond slaagt reeds niet, nu eiser deze niet nader heeft onderbouwd.
Hoorplicht
6. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort.
Eiser heeft in zijn bezwaargronden enkel gewezen op de aanstaande herkeuring van referente door het UWV. Dit zou mogelijk een wijziging van haar situatie kunnen betekenen. Zoals eerder overwogen heeft verweerder, doordat eiser niet zelf nieuwe informatie hierover heeft overgelegd, zelf contact gelegd met het UWV en hieruit vernomen dat de situatie van referente niet was gewijzigd na de herkeuring. Nu verweerder hiermee voldoende informatie heeft gehad om een besluit te kunnen nemen en eiser geen andere gronden heeft aangedragen die aanleiding hadden kunnen geven om te horen, heeft verweerder naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om te horen in bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eiser mocht worden afgewezen.
Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.