[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder, (gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de ongeldigverklaring van haar rijbewijs.
Bij besluit van 13 november 2024 (primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, samen met haar echtgenoot, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er aan deze zaak voorafgegaan?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1946 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres is op 29 februari 2024 in aanraking geweest met de politie op verdenking van betrokkenheid bij de aanrijding van een persoon nabij een voetgangersoversteekplaats in de gemeente Den Haag. Na dit ongeval heeft verweerder een melding van de politie ontvangen, waaruit blijkt dat eiseres tegenover de verbalisanten verklaard had dat zij de aangereden voetganger niet gezien heeft en niet precies wist wat er toen gebeurde. Naar aanleiding van deze melding is bij verweerder het vermoeden ontstaan van onvoldoende rijvaardigheid. Om die reden heeft verweerder bij besluit van 8 mei 2024 eiseres verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid.
Eiseres was het hier niet mee eens en wenste niet mee te werken aan dit onderzoek en heeft om die reden bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiseres tegen dit verplichte onderzoek is bij besluit van 2 oktober 2024 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen dit besluit op bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat eiseres verplicht mocht worden tot het meewerken aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid en rijgeschiktheid. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak.
Wat heeft verweerder in deze zaak besloten?
3. Eiseres was voor 17 september 2024 uitgenodigd voor een afspraak in het kader van het verplichte onderzoek naar de rijvaardigheid. Eiseres heeft zich voor deze afspraak afgemeld en een brief van haar huisarts meegestuurd, waaruit blijkt dat eiseres bekend is met migraine en daarvoor medicatie gebruikt. Bij brief van 26 september 2024 heeft verweerder dit uit coulance goedgekeurd en aangegeven dat een nieuwe afspraak wordt ingepland en dat bij verhindering daarvoor ook bewijs vereist wordt. Eiseres is vervolgens bij brief van 11 oktober 2024 opnieuw uitgenodigd voor een afspraak, gepland op 12 november 2024. Eiseres is zonder voorafgaande afmelding niet op deze tweede afspraak verschenen.
Naar aanleiding van het niet verschijnen van eiseres op de tweede afspraak op 12 november 2024, heeft verweerder bij besluit van de dag daarna (primaire besluit) het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Redengevend daarvoor is dat eiseres hierdoor onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek van verweerder naar de vraag of het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid jegens eiseres al dan niet terecht is. Verweerder gaat daarom uit van het vermoeden van twijfel aan de rijvaardigheid van eiseres en heeft het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Verweerder heeft deze conclusie na bezwaar gehandhaafd, nu eiseres geen verschoonbare reden voor het niet kunnen meewerken aan het onderzoek aannemelijk heeft gemaakt. Niet gebleken is dat eiseres de brief van 26 september 2024 niet ontvangen heeft en ook anderszins is niet gebleken dat de medische toestand van eiseres op 12 november 2024 zodanig was dat zij niet kon deelnemen.
Wat vinden eiseres en verweerder in dit beroep?
4. Eiseres voert in beroep ten eerste aan dat zij niet kan volgen waarom haar rijbewijs ongeldig is verklaard, nu zij bij vonnis van de politierechter van 18 februari 2025 is vrijgesproken voor de strafbare feiten die haar ten laste gelegd waren vanwege de aanrijding van een persoon op 29 februari 2024. Nu door deze vrijspraak vaststaat dat zij geen schuld heeft aan dit ongeval, zijn het rijvaardigheidsonderzoek en vervolgens de ongeldigverklaring van haar rijbewijs onterecht. Ten tweede heeft eiseres met de in beroep overgelegde stukken onderbouwd dat zij op de dag van het geplande onderzoek op 12 november 2024 leed aan migraine en daardoor niet aanwezig kon zijn. Eiseres vindt dat zij met deze stukken tijdig kenbaar en aannemelijk heeft gemaakt wat de reden van haar afwezigheid bij deze tweede afspraak voor het rijvaardigheidsonderzoek was.
5. Verweerder heeft schriftelijk en op de zitting gereageerd op de beroepsgronden van eiseres en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op juridisch juiste gronden overgegaan tot het ongeldig verklaren van eiseres haar rijbewijs. In artikel 132, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) is dwingendrechtelijk bepaald dat indien geen medewerking wordt verleend aan het rijvaardigheidsonderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994, verweerder onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs dient over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat van een verschoonbare reden voor het niet meewerken van eiseres aan het geplande rijvaardigheidsonderzoek op 12 november 2024 niet is gebleken.
Vaststaat dat eiseres een uitstelverzoek heeft ingediend voor de eerste afspraak voor het rijvaardigheidsonderzoek op 17 september 2024 en daarvoor ook onderbouwing heeft aangeleverd. Verweerder heeft toen uit coulance uitstel aan eiseres verleend. Gelet op het voorgaande en de expliciet vermelding van het aanleveren van bewijs in de brief van 26 september 2024 waarin de coulance aan eiseres werd verleend, is niet geloofwaardig dat eiseres niet op de hoogte was van de verplichting om de afmelding voor de tweede afspraak bij het CBR ook met bewijs te onderbouwen. Dit oordeel wordt ondersteund door het verhandelde ter zitting en de in bezwaar ingestuurde brieven over contact met de huisarts op 12 en 19 november 2024. Hieruit blijkt dat eiseres op 12 november 2024 wel degelijk op de hoogte was van de noodzaak van het aanleveren van bewijs voor haar afwezigheid, temeer nu zij verklaard heeft dat haar echtgenoot diezelfde dag nog een doktersverklaring is gaan halen en heeft willen indienen bij het CBR. De stelling dat eiseres de brief van 26 september 2024 niet tijdig heeft ontvangen door of vanwege haar voormalige gemachtigde die haar bijstond in de bezwaarprocedure, is evenzeer niet geloofwaardig, nu eiseres wel op de hoogte was van het in diezelfde brief medegedeelde uitstel van de eerste afspraak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres geacht mocht worden op de hoogte te zijn van de geldende regels voor de procedure tot het verkrijgen van uitstel van de afspraak.
In het procesdossier zijn met betrekking tot de afspraak van 12 november 2024 de volgende stukken aangetroffen:
Een brief van de huisarts, gedateerd 12 november 2024, inhoudende de verklaring dat eiseres bekend is met migraine;
Een brief van de huisarts, inhoudende een bevestiging van een afspraak tussen de huisarts en eiseres voor 19 november 2024.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de in bezwaar overgelegde stukken mocht concluderen dat daarmee nog niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres op 12 november 2024, de dag van het onderzoek, medisch gezien niet in staat was om deel te nemen. De enkele mededeling van 12 november 2024 dat eiseres - in zijn algemeenheid - bekend is met migraine maakt nog niet daarmee aannemelijk is dat deze aandoening zich op die concrete dag voordeed. Ook de brief van 19 november 2024 waarin een doktersafspraak van eiseres wordt bevestigd maakt dat niet anders. Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet van verschoonbare redenen is gebleken waarom eiseres niet kon meewerken aan het rijvaardigheidsonderzoek op 12 november 2024.
Gelet op het voorgaande was verweerder conform artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994, gehouden het rijbewijs van eiseres ongeldig te verklaren. Voor een belangenafweging bestaat in een dergelijk geval geen ruimte.
Ten overvloede en ter voorlichting van eiseres overweegt de rechtbank dat het feit dat eiseres in de strafrechtelijke procedure vrijgesproken is van vervolging voor overtreding van de Wegenverkeerswet niet afdoet aan het voorgaande. Dat dit strafbare feit niet bewezen verklaard geacht wordt door de strafrechter, maakt nog niet dat verweerder in de verklaringen van eiseres tegenover de politie ter plaatse geen aanleiding heeft mogen zien voor een vermoeden tot twijfel aan de rijvaardigheid van eiseres. Dit zijn twee op zichzelf staande beoordelingen die ieder aan een ander bewijsrecht zijn onderworpen en in beide gevallen een andere beoordeling van de rechter en betrokken instanties vergen. In de uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank zich reeds uitgesproken over de gegrondheid van het vermoeden van twijfel aan de rijvaardigheid van eiseres op grond van de verklaringen bij de politie. In deze zaak bestaat dan ook geen ruimte om dat oordeel opnieuw ter discussie te stellen.
Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het rijbewijs van eiseres op juiste gronden ongeldig heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.