RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61833
[V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben de rechtbank schriftelijk meegedeeld in te stemmen met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft de gronden van het beroep ingediend op 19 december 2025. Verweerder heeft daar op 22 december 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 23 december 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1970.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. Eiser voert aan dat niet is gemotiveerd waarom de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Verder is bij het motiveren van de gronden niet voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling heeft geschetst.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Deze gronden kunnen de maatregel dragen en daarmee is het risico op onttrekking gegeven. Bovendien is in de maatregel gemotiveerd dat eiser in 2019 reeds een asielaanvraag heeft ingediend maar deze niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vetrokken en sindsdien illegaal in Nederland verblijft. Eiser heeft in beroep geen concrete omstandigheden aangevoerd die het vorenstaande anders maken. Verweerder heeft derhalve ook terecht overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning. De maatregel van bewaring is dan ook op de juiste grondslag gebaseerd en voldoende gemotiveerd.
5. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.