ECLI:NL:RBDHA:2025:25168

ECLI:NL:RBDHA:2025:25168, Rechtbank Den Haag, 24-12-2025, NL25.61827

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL25.61827
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring, bij ophouding geen tolk, betwisting zware grond 3i, contact met Libische autoriteiten, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61827

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 19 december 2025 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 22 december 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Libische nationaliteit te hebben.

2. Eiser voert aan dat de ophouding onrechtmatig is geweest, omdat hierbij geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in zijn taal van voorkeur, het Frans. Niet is gebleken dat eiser het Arabisch van de medewerker van de Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft begrepen en dat hij heeft begrepen wat zijn rechten zijn.

3. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Niet is gebleken dat eiser geen Arabisch, wat de hoofdtaal is in Libië, spreekt of verstaat. Dat hij de voorkeur heeft voor de Franse taal, maakt niet dat getwijfeld moet worden over de vraag of hij het Arabisch heeft verstaan. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder niet in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3.109a, eerste lid, van het Vb. Gelet hierop is evenmin gebleken dat eiser niet op de hoogte was van zijn rechten. De beroepsgrond slaagt niet.

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser voert aan dat zware grond 3i niet kan worden tegengeworpen. Hij is een asielzoeker en er kan geen sprake zijn van een terugkeerverplichting. Verder had een lichter middel moeten worden toegepast, nu eiser een gezin heeft in België en medische problemen heeft. Tot slot is eiser via zijn gemachtigde benaderd door de Libische autoriteiten, omdat kennelijk aan hen is verzocht om een gesprek te voeren met eiser om zijn land van herkomst en identiteit vast te stellen. Dit is niet toegestaan, nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend en nu geconfronteerd kan worden met de autoriteiten waarvoor hij is gevlucht.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Eiser heeft de zware gronden 3a tot en met 3e en de lichte gronden niet betwist. Deze zijn feitelijk juist en voor zover noodzakelijk voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden gezamenlijk zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarmee is het risico op onttrekking aan toezicht gegeven.

7. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) volgt dat eiser zelf heeft verklaard contact te willen (laten) opnemen met de Libische autoriteiten in het kader van consulaire bijstand. Niet is onderbouwd dat de Libische autoriteiten daadwerkelijk contact hebben opgenomen met eiser en voor zover dat wel het geval is geweest, is het aannemelijk dat dit is gebeurd in verband met de door eiser verzochte consulaire bijstand.

8. Gelet op de gronden van de maatregel bestaat er een risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en zijn vertrek belemmert of ontwijkt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Eiser heeft zijn medische problemen niet onderbouwd. Verder is ook niet onderbouwd dat eiser daadwerkelijk de vader is van de kinderen of dat hij een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij zijn gestelde kinderen. Er is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend maken.

9. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. E.C. Jacobs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?