[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Senegalese nationaliteit.
Vanaf 9 oktober 2016 heeft eiser een verblijfsvergunning gehad voor verblijf bij zijn toenmalige partner. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning bij besluit van 24 september 2019 ingetrokken per 14 januari 2019, omdat de relatie en samenwoning is verbroken. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
Per 15 oktober 2019 heeft eiser een verblijfsvergunning toegekend gekregen voor verblijf bij zijn nieuwe partner, mevrouw [naam 1] . Ook deze relatie is verbroken waarna verweerder bij besluit van 11 oktober 2022, eisers verblijfsvergunning per 29 oktober 2021 heeft ingetrokken. Het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft verweerder ongegrond verklaard met het besluit van 21 februari 2024. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend, maar dit beroep op 25 oktober 2024 ingetrokken.
Op 1 november 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘niet-tijdelijk humanitair’ (de aanvraag), met als doel in Nederland te kunnen blijven wonen en werken.
Bij besluit van 21 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, omdat eiser niet vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad bij zijn partner ( [naam 1] ) en hij niet is geslaagd voor zijn inburgeringsexamen. Familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM met zijn gestelde huidige partner, mevrouw [naam 2] , heeft eiser niet aangetoond. Wel is er privéleven, maar daarbij valt de belangenafweging in zijn nadeel uit. Verder wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd dat betekent dat eiser het EU-gebied moet verlaten. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn afwijzing gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser beschouwt wat hij in eerdere fases heeft aangevoerd als herhaald en ingelast. In beroep stelt hij zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd, onevenredig is en in strijd is met artikel 8 van het EVRM en de Richtlijn 2004/38 EU. Hiertoe voert eiser aan dat hij niet bestrijdt dat hij niet aan de eis van vijf jaar rechtmatig verblijf of het behalen van het inburgeringsexamen voldoet. Desalniettemin is eiser al ver gevorderd in zijn inburgering, heeft hij momenteel betaald werk en voert hij een huishouden met zijn huidige partner. Verder valt de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser uit en is deze ten onrechte algemeen gemotiveerd. Daarbij miskent verweerder dat eisers partner een Unieburger is, omdat zij zowel de Poolse als Nederlandse nationaliteit bezit, zij als begunstigde in de zin van de Richtlijn 2004/38 EU aangemerkt moet worden en niet verwacht kan worden dat zij hun gezinsleven in Polen dan wel Senegal uitvoeren. Ook is van belang dat eiser gelet op vaste jurisprudentie van het EHRM al lange tijd in Nederland verblijft, terwijl verweerder dit kort lijkt te vinden. Dit maakt het bestreden besluit onevenredig, mede gelet op eisers integratie en beheersing van de Nederlandse taal. Tot slot komt eiser niet ten laste van het sociale zekerheidsstelsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank heeft met partijen vastgesteld dat niet in geschil is dat eiser niet aan de voorwaarden van de aanvraag voldoet. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van vijf jaar (aaneengesloten) verblijfsrecht voorafgaand aan de aanvraag en het behalen van het inburgeringsexamen.
Verder is van belang dat er, zoals op zitting ook is vastgesteld, nog een procedure loopt over de vraag of eiser op grond van het Unierecht een (afgeleid) verblijfsrecht heeft vanwege de door hem gestelde relatie met mevrouw [naam 2] . Over dit verblijfsrecht gaat het in deze uitspraak niet. Toch valt die andere procedure niet helemaal los te zien van de onderhavige procedure. Verweerder stelt zich immers onder verwijzing naar de motivering in de besluitvorming in de andere procedure op het standpunt dat er geen sprake is van familieleven tussen eiser en mevrouw [naam 2] . Die motivering zal de rechtbank moeten toetsen.
5. Primair in geschil is de vraag of verweerder van weigering van de vergunning had moeten afzien op grond van artikel 8 van het EVRM, vanwege het door eiser gestelde familieleven. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van familieleven. Daartoe mocht verweerder van belang achten dat eiser in eerste instantie slechts twee ongedateerde foto’s, zonder verdere context, heeft overgelegd. Ook de bankafschriften tonen enkel aan dat mevrouw [naam 2] enkele rekeningen voor eiser heeft betaald en geld naar hem heeft overgemaakt, zonder dat duidelijk is waarvoor. Ditzelfde geldt ten aanzien van de hotelreserveringen en vliegtickets, welke enkel tot mevrouw [naam 2] te herleiden zijn. Verder blijkt wel dat eiser en mevrouw [naam 2] eenzelfde adres voeren, maar leidt dit volgens verweerder ook niet zonder meer tot de conclusie dat er sprake is van een duurzame relatie. Dat zij ook voor de Belastingdienst fiscaal partners zouden zijn, hoefde voor verweerder niet doorslaggevend te zijn, omdat de Belastingdienst de (romantische) relatie niet toetst. De daarnaast in beroep ingebrachte stukken – zoals aanvullende overboekingen van mevrouw naar eiser, een betaalbewijs van mevrouw voor een sportabonnement van eiser, loonstroken van eiser en foto’s van eiser – maken dit evenmin anders. Ook hieruit blijkt voor verweerder niet zonder meer dat er sprake is van een duurzame relatie.
Verweerder neemt wel privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan, maar laat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvallen. Hier is in zijn voordeel bij betrokken de duur van eisers (rechtmatig) verblijf en dat eiser de Nederlandse taal redelijk spreekt. Daar staat volgens verweerder tegenover dat de band van eiser met Senegal sterker is nu hij op volwassen leeftijd pas naar Nederland is gekomen, hij daar is opgegroeid, hij daar bekend is met de taal en cultuur en het grootste deel van zijn leven in Senegal heeft gewoond. Ook heeft eiser nog steeds contact met zijn ouders daar. Daarbij heeft eiser, anders dan dat hij werkt en (mogelijk) sociale contacten heeft, niet verder toegelicht waar zijn privéleven hier uit bestaat en zijn er geen objectieve belemmeringen voor eiser om zijn privéleven in Senegal weer op te bouwen. Vooral nu eiser recent nog naar Senegal op vakantie is gegaan. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet tot deze uitkomst van de belangenafweging mocht komen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verweerder niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de afwijzing, en daarmee uitzetting, niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de aanvraag van eiser mocht worden afgewezen.
Eiser krijgt zijn griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.