RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/693018 / JE RK 25-1757
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B. Beekman uit Noordwijk,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025;
- de e-mail van de vader met bijlage(n) van 19 november 2025.
Op 25 november 2025 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als de zaak naar aanleiding van de brieven van [de minderjarige 2] (de zogenaamde ‘informele rechtsingang’, zaak- en rekestnummer C/09/685667 / FA RK 25-3845) gecombineerd behandeld. Op het laatstgenoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] als vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover op 24 november 2025 in raadkamer een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [de minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven afwisselend bij de vader en de moeder.
Bij beschikking van 2 december 2024 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] uitgesproken. De ondertoezichtstelling geldt tot 2 december 2025.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd.
Binnen het gezin is sprake van een voortdurende dynamiek waarin beide ouders elkaar aanwijzen als veroorzaker van de zorgen. Deze wederzijdse beschuldigingen zorgen voor een gespannen sfeer, waarin de kinderen zich klem voelen tussen de loyaliteit naar beide ouders. Er is geen gezamenlijk ouderschap zichtbaar; communicatie tussen ouders verloopt moeizaam of via de kinderen, wat hen belast en belemmert in hun ontwikkeling.
Deze dynamiek draagt bij aan het instandhouden van het patroon van psychosomatische klachten bij de kinderen, zoals buikpijn, hoofdpijn, concentratieproblemen en slaapproblemen. De kinderen geven aan dat zij minder bij vader willen zijn, maar het is nog niet duidelijk of deze wens voortkomt uit loyaliteit, spanning, of een gevoel van onveiligheid. Er zijn visieverschillen tussen de moeder en de hulpverleners: de moeder vindt dat de dagelijkse zorg voor de kinderen goed verloopt en wil vooral hulp voor de kinderen, terwijl de hulpverleners van mening zijn dat eerst een gezamenlijk oudertraject nodig is om de situatie te verbeteren. De moeder is terughoudend om samen met de vader een traject te volgen vanwege negatieve ervaringen en stress en geeft de voorkeur aan gescheiden begeleiding. De ouderlijke strijd maakt dat er geen stabiele basis is voor vrijwillige hulpverlening. Er is onvoldoende draagvlak voor samenwerking en de ouders zijn vooral gericht op het verdedigen van hun eigen positie. Hierdoor is het niet mogelijk om in een vrijwillig kader tot duurzame verandering te komen. De gecertificeerde instelling wil in de komende periode de ouderlijke dynamiek verder analyseren, de ouders confronteren met de impact hiervan op de kinderen en de wens van de kinderen om minder bij vader te zijn zorgvuldig onderzoeken.
Gezien de complexiteit van de situatie en het feit dat het patroon nog niet is doorbroken, wordt een verlenging van de ondertoezichtstelling met twaalf maanden verzocht.
4. De standpunten
De vader is het eens met verlenging van de ondertoezichtstelling. Er is nog steeds geen hulpverlening op gang gekomen die kan leiden tot een verandering in de situatie en dat gaat volgens de vader in het vrijwillige kader zeker niet lukken.
Namens de moeder is primair verzocht om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere periode. Volgens de moeder is hulpverlening in het vrijwillig kader mogelijk. De ouders communiceren met elkaar, geven toestemming voor hulpverlening en staan daar ook voor open. Een dwingend kader is daarom volgens de moeder niet noodzakelijk.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Op de zitting is gebleken dat er helaas pas sinds de zomer van 2025 een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor het gezin. Er zijn wel gesprekken geweest, maar de kinderen hebben inmiddels aangegeven dat zij niet meer met de jeugdbeschermer willen praten. Er is (mede) daardoor nog altijd geen verandering gekomen in de situatie en de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is nog niet weggenomen. Ook is de periode nog te kort geweest om te werken aan de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling en hiervoor de eventueel benodigde hulpverlening in te zetten. De kinderrechter is van oordeel dat de komende periode moet worden benut om alsnog aan de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling te werken en om te bezien welke resultaten hiermee kunnen worden bereikt om op die manier de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen of te verminderen.
De ondertoezichtstelling is daarom naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voor de duur van een jaar. De kinderrechter overweegt hiertoe dat de gezinsproblematiek complex is en dat er bij verlenging voor een kortere duur, zoals namens de moeder is bepleit, niet voldoende tijd zal zijn om een resultaat te bereiken.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot 2 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van den Born als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.