Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Beschikking op het op 11 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.E.M.J. van Poppel te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam.
Procedure
Bij beschikking van 16 januari 2025 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening en de mediation.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 24 oktober 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 29 oktober 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
De vader verzoekt – na wijziging –:
- de minderjarige verblijft wekelijks op maandag van 15:30 uur tot 18:30 uur bij de moeder en op woensdag van 13:00 uur tot 18:30 uur of zondag van 12:00 uur tot 18:30 uur bij de moeder;
- tijdens vakanties van één week verblijft de minderjarige op maandagen van 12:00 uur tot 20:00 uur bij de moeder;
- tijdens vakanties van twee weken of langer verblijft de minderjarige op maandagen en dinsdagen van 12:00 uur tot 20:00 uur bij de moeder;
- op Moederdag verblijft de minderjarige van 12:00 uur tot 18:30 uur bij de moeder;
- op de verjaardagen van de minderjarige en de moeder verblijft de minderjarige indien dit op een doordeweekse dag valt van 15:30 uur tot 18:30 uur bij de moeder en indien dit in het weekend valt van 12:00 uur tot 18:30 uur bij de moeder;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig te bepalen dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist.
Hoofdverblijfplaats
Bij beschikking van 16 januari 2025 van deze rechtbank is bepaald dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd, zodat hij voor haar hulpverlening kon organiseren. Het doel van deze hulpverlening was om [minderjarige] uit te leggen wat er vorig jaar is gebeurd en waarom zij haar moeder een tijd niet heeft gezien. De vader heeft geprobeerd deze hulpverlening op te starten. Omdat [minderjarige] is geregistreerd op het adres van de moeder en de vader in een andere gemeente woont, is de hulpverlening niet van de grond gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft de vader de moeder verzocht om [minderjarige] tijdelijk bij hem in te schrijven. De moeder heeft hiervoor geen toestemming verleend. Uiteindelijk heeft de vader [stichting] benaderd, waarna [minderjarige] een aantal gesprekken heeft gevoerd met een jeugd- en gezinsmedewerker. Deze gesprekken waren niet bedoeld om [minderjarige] de situatie rondom haar moeder uit te leggen, maar vooral om te beoordelen hoe het met haar gaat. De jeugd- en gezinsmedewerker heeft geadviseerd om [minderjarige] op de wachtlijst te plaatsen bij de schoolmaatschappelijk werker. Inmiddels heeft [minderjarige] daar enkele gesprekken mee gevoerd. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat na een aantal gesprekken geëvalueerd zal worden of verdere hulpverlening nodig is.
De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] de hulp krijgt die zij nodig heeft en dat de vader deze hulp, al dan niet in zijn eigen gemeente, kan opstarten. Daarom zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de vader bepalen. De rechtbank laat ter beoordeling aan de vader over of de opdracht uit de vorige beschikking – te weten dat [minderjarige] moet worden uitgelegd wat er vorig jaar is gebeurd en waarom zij haar moeder een tijd niet heeft gezien – alsnog moet worden uitgevoerd.
De rechtbank houdt iedere verdere (definitieve) beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats aan voor de duur van zes maanden in afwachting van het raadsonderzoek, zoals hierna zal blijken.
Raadsonderzoek
Bij de vader bestaat nog steeds veel wantrouwen richting de moeder, mede doordat hij veel vraagtekens heeft bij haar privésituatie. Zo woont de moeder niet langer op haar adres in [plaats 1] en heeft de vader geen informatie over waar zij verblijft, met wie zij daar woont en voor hoe lang. Daarnaast maakt de vader zich nog steeds ernstige zorgen over het welzijn van de moeder. Zo heeft zij begin dit jaar onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakt en heeft zij zich opnieuw aangemeld bij [instantie]. Voorgaande maakt dat de vader erg terughoudend is om de zorgregeling, zoals voorlopig bepaald in de vorige beschikking, uit te breiden. Hij verzoekt de rechtbank daarom de Raad te laten onderzoeken welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
De moeder wil de voorlopige zorgregeling uitbreiden, maar stelt dat zij hierin wordt belemmerd door de vader. Ten aanzien van haar woonsituatie geeft zij aan dat zij op dit moment bij vrienden verblijft en op zoek is naar een eigen woning in [plaats 2]. De moeder erkent dat zij een lastige periode heeft doorgemaakt, maar stelt dat het op dit moment aanzienlijk beter met haar gaat. De heraanmelding bij [instantie] is dan ook niet het gevolg geweest van een terugval in haar verslaving. Daarbij is uiteindelijk geen behandeling tot stand gekomen, waarna het dossier is gesloten.
De rechtbank overweegt als volgt. Het vertrouwen tussen de ouders is ernstig beschadigd. Daarnaast bestaan er nog veel onduidelijkheden en onzekerheden met betrekking tot de privésituatie van de moeder. Dit zorgt voor onrust, hetgeen de Raad ook constateert en zorgen baart. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de complexiteit van de situatie, een raadsonderzoek nodig is om een goed beeld te krijgen van welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal de Raad dan ook verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen, ter beantwoording van de volgende vraag:
- is omgang tussen [minderjarige] en de moeder in het belang van [minderjarige], en zo ja, hoe moet de zorgregeling worden vormgegeven?
De rechtbank merkt op dat de Raad op de zitting heeft toegezegd te onderzoeken of het raadsonderzoek vanuit deze regio kan worden gestart, ondanks dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de vader is.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders hun medewerking aan het raadsonderzoek zullen verlenen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling aanhouden voor de duur van zes maanden in afwachting van het raadsonderzoek.
Voorlopige zorgregeling
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders besproken hoe de zorgregeling voorlopig kan worden vormgegeven. In dat kader zijn de volgende afspraken gemaakt:
[minderjarige] verblijft wekelijks op maandag en woensdag uit school tot 18:30 uur bij de moeder. Daarbij haalt de moeder [minderjarige] op van school en brengt zij haar om 18:30 uur weer terug bij de vader. De vader zal bij het halen van [minderjarige] uit school (ook) aanwezig zijn, zodat hij een beeld krijgt van hoe het met de moeder gaat. De rechtbank hoopt dat dit bijdraagt aan het herstel van het vertrouwen van de vader in de moeder.
Als er geen school is, verblijft [minderjarige] op maandag vanaf 14:30 uur en op woensdag vanaf 12:15 uur bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en om 18:30 uur weer bij de vader terugbrengt.
Daarnaast zal [minderjarige] op 26 december 2025 (tweede Kerstdag) van 12:00 uur tot 17:00 uur (extra) bij de moeder verblijven, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt bij de vader.
Bij deze voorlopige omgangsregeling hebben de ouders een aantal verdere afspraken gemaakt:
Zoals door de Raad op de zitting is aangegeven, moet in het belang van [minderjarige] worden gewerkt aan het vertrouwen van de vader in de moeder. De rechtbank hoopt dat het naleven van bovenstaande afspraken hieraan bijdraagt. Indien de moeder zich niet aan deze afspraken houdt, staat het de vader vrij in te grijpen en het contact tussen de moeder en [minderjarige] te beperken. Daarbij zal de voorlopige zorgregeling, zoals in de vorige beschikking door de rechtbank is bepaald, als uitgangspunt gelden. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, wordt van de vader verwacht dat hij hierover via zijn advocaat (schriftelijk en onderbouwd) verslag doet aan de rechtbank, zodat dit op de volgende zitting kan worden besproken.
Beslissing
De rechtbank – met aanvulling in zoverre van de beschikking van 16 januari 2025 van deze rechtbank – :
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],
voorlopig haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
*
bepaalt dat [minderjarige], in afwijking van hetgeen partijen hebben afgesproken in het ouderschapsplan, voorlopig bij de moeder zal zijn:
*
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 1 juni 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan in afwachting van het raadsonderzoek.