Gezag en omgangs- c.q. zorgregeling
Beschikking op het op 5 september 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. van den Berg te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift.
Op 29 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Op de zitting is namens de vader een stuk overgelegd, te weten een proces-verbaal van een eerder gewezen kort geding tussen de ouders.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft de kinderen erkend.
- De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen;
- een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de vader de minderjarige kinderen om de week van vrijdag 18:00 uur tot zondag 17:00 uur bij zich heeft, alsmede gedurende de helft van alle vakantie- en feestdagen en op Vaderdag;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft op de zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Omgangs- c.q. zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Standpunten vader
De vader stelt dat de ouders tijdens een kortgedingzitting, die op 27 maart 2025 heeft plaatsgevonden, afspraken hebben gemaakt over de omgangsregeling. De ouders zijn overeengekomen dat de kinderen om de week van vrijdag tot en met zondag bij de vader verblijven. Volgens de vader wordt deze regeling niet nagekomen door de moeder. Hij heeft de kinderen al drie maanden niet gezien. De vader wenst de omgangsregeling zo snel mogelijk te hervatten en is van mening dat het huis van zijn ouders, waar hij op dit moment verblijft, hiervoor geschikt is.
Standpunten moeder
De moeder voert verweer. Na de kortgedingzitting heeft zij van beide kinderen te horen gekregen dat de toenmalige stiefzoon van de vader bij hen in bed sliep en aan hen zat. De moeder heeft de vader hiermee geconfronteerd en gevraagd om een foto van de slaapkamer van de kinderen. De vader is hier niet op ingegaan, waarna de moeder heeft besloten de omgangsregeling op te schorten. Inmiddels is de relatie van de vader beëindigd en woont hij weer bij zijn ouders. Gelet op het drugsgebruik van de vader en het alcoholgebruik van de vader van de vader (hierna: opa), kan de veiligheid van de kinderen (ook) daar niet worden gewaarborgd. De moeder is dan ook van mening dat de omgang bij een omgangshuis moet worden opgebouwd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. De moeder maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Daarom is zij van mening dat de omgang op een neutrale locatie en onder begeleiding moet worden opgebouwd. De vader kan instemmen met een opbouwregeling, maar ziet geen aanleiding om de omgang begeleid te laten plaatsvinden.
De rechtbank neemt de zorgen van de moeder serieus, maar constateert dat het vermeende drugsgebruik van de vader onvoldoende is onderbouwd. Wat hier ook van zij, op de zitting is gebleken dat het draagvlak van de moeder ten aanzien van de omgangsregeling zeer laag is. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omgang onder begeleiding van de moeder van de vader (hierna: de oma) moet worden hervat. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de moeder op de zitting heeft aangegeven dat de oma een goede oma voor de kinderen is en dat de opa voornamelijk in de schuur zit.
Alles overwegende bepaalt de rechtbank een voorlopige omgangregeling, waarbij de vader iedere zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur omgang heeft met de kinderen, in aanwezigheid van de oma. De beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling zal de rechtbank voor de duur van zes maanden aanhouden in afwachting van het verloop van mediation en het hulpverleningstraject, zoals hierna zal blijken.
De ouders hebben op de zitting afgesproken dat zij tijdens mediation veiligheidsafspraken zullen maken, welke in het kader van de voorlopige omgangsregeling in acht moeten worden genomen. Het doel hiervan is het vertrouwen van de moeder in de vader herstellen, zodat de voorlopige omgangregeling kan worden uitgebouwd tot de (onbegeleide) omgangsregeling zoals de ouders dat op de kortgedingzitting van 27 maart 2025 zijn overeengekomen. De rechtbank heeft de ouders reeds naar mediation doorverwezen.
Ook hebben de ouders zich bereid verklaard deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. Het doel hiervan is de onderlinge communicatie te verbeteren en het wederzijds vertrouwen te herstellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
- welke zorgregeling met de vader is het meest in het belang van de kinderen?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten vader
De vader wil gezamenlijk worden belast met het gezag over de kinderen. Primair stelt de vader zich op het standpunt dat er geen contra-indicaties zijn om hem (mede) met het gezag te belasten. Subsidiair is namens de vader aangevoerd dat, in het geval de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht, het traject ouderschapsbemiddeling moet worden afgewacht voordat op dit verzoek wordt beslist.
Standpunten moeder
Volgens de moeder is het uitoefenen van het gezamenlijke gezag, gezien de huidige verhoudingen en het contact tussen de ouders, onmogelijk. Het verzoek van de vader dient dan ook te worden afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling
Zoals hierboven overwogen, ontbreekt bij de moeder op dit moment het draagvlak, zowel ten aanzien van de omgangsregeling als het uitoefenen van het gezamenlijke gezag. De rechtbank hoopt dat de onderlinge communicatie wordt verbeterd en het wederzijds vertrouwen wordt hersteld door middel van mediation en het traject ouderschapsbemiddeling waaraan de ouders zullen deelnemen. De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van het gezag dan ook voor de duur van zes maanden aanhouden, in afwachting van het verloop van mediation en het hulpverleningstraject.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt een voorlopige omgangsregeling, waarbij de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , iedere zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijven in aanwezigheid van de oma;
*
verwijst de ouders naar de voor hen bekende mediator om veiligheidsafspraken te maken;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangs- c.q. zorgregeling en het gezag aan tot 1 juni 2026 pro forma.