Beschikking op de op 30 september 2025 ingekomen verzoeken van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Ivanov-Petkova te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken.
In de bodemprocedure en in de voorlopige voorzieningenprocedure:
De minderjarige [de minderjarige] heeft op 28 oktober 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter.
Op 29 oktober 2025 is de bodemprocedure (C/09/692389) en het verzoek om een voorlopige voorziening (C/09/692423) ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Tevens was aanwezig de tolk R. Fonk.
Van de zijde van de vader zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Feiten
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , [land] .
- Bij uitspraak van de Sofia district court van 23 januari 2017 is onder meer:
- de echtscheiding uitgesproken;
- de moeder belast met het gezag over [de minderjarige] ;
- een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgelegd, volgens de Engelse vertaling inhoudende: ‘The father has the right to see and take with him the child until the age of seven years of the child every second Saturday of the month from 10.00 am to 12.00 pm-in-the presence of the mother or a person designated by her, and after the age of seven years of the child, every second Saturday of the month from 10.00 am to 18.00 pm in the presence of the mother or a person designated by her, with the obligation to take the child and return him personally from and to the home of the mother [de moeder] . The regime of personal contacts of the father with the child will be carried out only at the venue of the residence of the child.’;
- een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vastgesteld.
- Blijkens de uittreksels uit de Basisregistratie personen (Brp) hebben de vader, de moeder en [de minderjarige] de [nationaliteit] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
In de bodemprocedure:
te bepalen dat de vader, samen met de moeder, wordt belast met het gezag over
[de minderjarige] ;
een zorgregeling dan wel omgangsregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de
week een week bij de vader verblijft, met inachtneming van de opbouwregeling zoals beschreven bij punt 30 van het verzoek, althans een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
een vakantieregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] de helft van de vakanties bij de
moeder verblijft en de andere helft van de vakanties bij de vader, in onderling overleg te bepalen, althans een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
voorwaardelijk, indien verzoek I van de vader wordt afgewezen, een
informatieregeling te bepalen conform punt 35 van het verzoek, althans een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
In de voorlopige voorzieningenprocedure:
een voorlopige omgangsregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] bij de vader
verblijft elke zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur, althans een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.
De moeder verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In de bodemprocedure:
primair het verzoek tot vaststellen van gezamenlijk gezag en een zorg- c.q. omgangsregeling af te wijzen, omdat de rechtbank met de huidige stand van zaken onvoldoende is voorgelicht, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren na ontvangst van een rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming;
subsidiair te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een raadsonderzoek zal verrichten naar:
a. de opvoedkundige geschiktheid van de vader en zijn geschiktheid voor (onbegeleid) contact met [de minderjarige] ;
b. de vraag of er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen zijn ouders;
c. de medische en psychosociale ontwikkeling van [de minderjarige] ;
d. de woon- en leefsituatie bij vader;
e. de vraag of en op welke wijze omgang vorm zou kunnen worden gegeven;
en iedere verdere beslissing aan te houden totdat het raadsrapport beschikbaar is en met partijen is besproken;
met betrekking tot het subsidiaire verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank.
In de voorlopige voorzieningenprocedure:
primair het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen wegens het gebrek aan spoedeisend belang;
subsidiair, voor het geval de rechtbank toch een voorlopige voorziening zou willen treffen, de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar:
a. de opvoedkundige geschiktheid van de vader en zijn geschiktheid voor (onbegeleid) contact met [de minderjarige] ;
b. de vraag of er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen zijn ouders;
c. de medische en psychosociale ontwikkeling van [de minderjarige] ;
d. de woon- en leefsituatie bij vader;
e. de vraag of en op welke wijze omgang vorm zou kunnen worden gegeven;
f. en iedere beslissing aan te houden totdat het raadsrapport beschikbaar is en met partijen is besproken;
meer subsidiair, indien de rechtbank toch onmiddellijk een voorlopige omgangsregeling wenst vast te stellen, deze te beperken tot contact via videoverbinding elke zondag van 17.00 uur tot 17.30 uur, dan wel een ander tijdstip die partijen in goede samenspraak overeenkomen, onder begeleiding van een familielid van de vader of een onafhankelijke hulpverlener. Te bepalen dat deze vorm van omgang zal voortduren totdat er een plek beschikbaar is in het Omganghuis, waarna de omgang aldaar onder begeleiding kan plaatsvinden, waarbij de eerst begeleide contactmomenten van kortere duur zullen zijn en in samenspraak met de hulpverlening kunnen worden uitgebreid.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken het volgende gebleken. De ouders woonden en werkten vanaf 2012 allebei in Nederland. [de minderjarige] is in 2015 geboren in [land] . In 2016 is de relatie tussen de ouders verbroken. De vader bleef in Nederland. De moeder en [de minderjarige] verbleven (in ieder geval gedurende het ouderschapsverlof van de moeder) een periode in [land] . De Sofia district court heeft op 23 januari 2017 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Bij die beslissing is ook bepaald dat de moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] en is een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgelegd, kort gezegd inhoudende dat de vader elke tweede zaterdag van de maand van 10.00 uur tot 18.00 uur in aanwezigheid van de moeder of een door de moeder aangewezen derde contact heeft met [de minderjarige] . Deze rechterlijke beslissing wordt in Nederland erkend. De moeder en [de minderjarige] wonen sinds de zomer van 2020 weer in Nederland. Toen is de omgang tussen de vader en [de minderjarige] op gang gekomen. De vader en [de minderjarige] zagen elkaar eerst geregeld; in ieder geval een keer per week. De verstandhouding tussen de ouders is op enig moment verslechterd. De vader heeft sinds februari 2024 geen contact meer met [de minderjarige] .
Gezag
De vader stelt dat het eenhoofdig gezag, zoals dat is bepaald in de echtscheidingsprocedure in [land] , niet meer wenselijk en passend is omdat de omstandigheden sinds de echtscheiding aanzienlijk zijn gewijzigd. [de minderjarige] was destijds net een jaar oud en woonde met de moeder in [land] , terwijl de vader in Nederland woonde. Nu wonen zij allen in dezelfde stad in Nederland. De vader wil graag een rol in het leven van [de minderjarige] spelen en een betrokken vader voor hem zijn. De vader is van mening dat er geen onaanvaardbare risico’s bestaan dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen zijn ouders. Gezamenlijk gezag is daarnaast het wettelijk uitgangspunt in Nederland.
De moeder stelt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Volgens de moeder is bij de vader sprake van een ernstige psychiatrische voorgeschiedenis met psychose en paranoïde wanen waarvan niet vaststaat dat deze is behandeld of genezen. Deze problematiek vormt een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Verder kent de vader [de minderjarige] niet meer en heeft hij een gebrek aan inzicht in de (emotionele) behoeften, schoolgang, dagelijkse routines, sociale contacten en de medische zorg die [de minderjarige] krijgt.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253o Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een beslissing waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of van één van hen wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om eerst de RvdK onderzoek te laten doen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen op het verzoek van de vader.
De rechtbank constateert dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank acht het evenwel niet in het belang van [de minderjarige] om de ouders gezamenlijk met het bezag te belasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de stukken en tijdens de zitting de ouders over en weer ernstige beschuldigingen naar elkaar uiten over psychiatrische aandoeningen en ook overigens elkaar voor leugenaar uitmaken. Onder deze omstandigheden bestaat onvoldoende basis om samen belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen. De rechtbank verwacht niet dat de huidige situatie binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. De rechtbank zal het verzoek van de vader dus afwijzen. Dit betekent dat de moeder alleen belast blijft met het ouderlijk gezag.
Informatieregeling
Omdat de rechtbank het verzoek van de vader over het gezag afwijst, komt de rechtbank toe aan de behandeling van het voorwaardelijke verzoek om een informatieregeling vast te leggen. De ouders zijn het erover eens dat de moeder de vader maandelijks per e-mail informeert over [de minderjarige] , in het bijzonder over gewichtige aangelegenheden, voortgang op school, medische- en gezondheidskwesties en het welzijn van [de minderjarige] . De rechtbank wijst het verzoek van de vader dus toe.
Omgangsregeling
De vader stelt dat hij [de minderjarige] sinds [de minderjarige] terugkeer naar Nederland gemiddeld ongeveer om de dag zag. De verstandhouding tussen de ouders verslechterde echter. De moeder weert de vader nu uit het leven van [de minderjarige] . De vader heeft voor ogen om tot een regeling te komen waarbij geleidelijk wordt opgebouwd naar een contactregeling waarbij [de minderjarige] de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder. De moeder heeft in het verleden ook al eens ingestemd met een 50/50 verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, aldus de vader.
De moeder is het niet eens met de door de vader voorgestelde omgangsregeling. De moeder stelt dat de vader grotendeels afwezig is geweest gedurende het opgroeien van [de minderjarige] . Pas toen de moeder en [de minderjarige] terugkeerden naar Nederland is de omgang op gang gekomen. Het contact is enige tijd goed geweest, waarbij de vader [de minderjarige] op zaterdag of zondag ophaalde. Dit werd door gebrek aan initiatief bij de vader minder. De moeder was bezorgd dat het onveilig was voor [de minderjarige] om alleen met de vader te verblijven. De vader heeft vervolgens achterwege gelaten om naar mogelijkheden voor begeleide omgang te zoeken, dus is het contact verwaterd. [de minderjarige] heeft nu een stabiele leefsituatie, die niet in gevaar moet worden gebracht door een onvoldoende overwogen omgangsregeling met een tot nu toe veelal afwezige vader. Wat moeder betreft dient de RvdK een onderzoek te starten naar de opvoedkundige vaardigheden en leefomstandigheden van de vader en naar wat [de minderjarige] nodig heeft ten aanzien van het contact met de vader.
De rechtbank is van oordeel dat de omgangsregeling die in 2017 is bepaald, gelet op de gewijzigde omstandigheden, aan wijziging toe is. De rechtbank vindt het echter niet in het belang van [de minderjarige] om – zoals de vader wenst – met een opbouw in zes maanden toe te werken naar een omgangsregeling waarbij [de minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de RvdK op dit punt onderzoek te laten doen. Tijdens de zitting is met de ouders besproken dat de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] vindt dat het contact tussen hem en de vader onder begeleiding wordt hersteld en daarna verder opgebouwd. De vader en [de minderjarige] hebben immers al meer dan anderhalf jaar geen contact met elkaar gehad. Daarom vindt de rechtbank een traject omgangsbegeleiding passend.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding. De rechtbank gaat ervan uit dat dit traject uiterlijk 1 juni 2026 moet kunnen zijn doorlopen. De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking ook per post sturen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking ook een omgangsregeling met opbouw opnemen. Hierbij merkt de rechtbank op dat zoals hiervoor overwogen eerst contactherstel en omgangsbegeleiding moet plaatsvinden. Nadat de betrokken hulpverlening concludeert dat de stap kan worden gezet naar onbegeleide omgang, althans in ieder geval per 1 juni 2026, zal de omgangsregeling gaan gelden. De omgang wordt dan als volgt opgebouwd:
De rechtbank wijst het meer of anders verzochte over de omgangsregeling af.
Voorlopige voorzieningen
De rechtbank zal de verzoeken van zowel de vader als de moeder afwijzen, omdat de rechtbank in de bodemprocedure op alle voorliggende verzoeken nu een eindbeslissing neemt. Omdat de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] vindt dat er eerst wordt gestart met begeleide omgang, wordt geen voorlopige omgangsregeling vastgesteld.
BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beslissing van de [geboorteplaats] district court van
23 januari 2017 – :
In de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/692423)
*
wijst de verzoeken af.
In de bodemprocedure (C/09/692389)
*
bepaalt dat [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ( [land] ), nadat de betrokken hulpverlening (omgangsbegeleiding) concludeert dat de stap gezet kan worden naar onbegeleide omgang, althans uiterlijk per 1 juni 2026, bij de vader zal zijn volgens de volgende opbouw:
*
bepaalt dat de moeder de vader maandelijks per e-mail informeert over [de minderjarige] , in het bijzonder over gewichtige aangelegenheden, voortgang op school, medische- en gezondheidskwesties en het welzijn van [de minderjarige] ;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] ,
wonende te Den Haag,
en
[de moeder] ,
wonende te Den Haag,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.