Hoofdverblijfplaats, vakantieregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 25 oktober 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.C.M. Schaeken te Eersel.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 28 oktober 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter. De minderjarige [de minderjarige 3] is ook uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 29 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
o [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ;
o [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 2] ;
o [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 2] .
zijn partijen uitgegaan van € 775,- per maand als kosten voor de kinderen. De man
betaalt, kort gezegd, met ingang van 1 augustus 2016 voor alle drie de kinderen
tezamen € 350,- per maand.
weken bij de vrouw en de rest van de tijd bij de man.
- De man is op 12 juli 2025 gehuwd met zijn huidige partner.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt na wijziging – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen wordt gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 12 april 2024, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bedrag van
€ 5.824,- per maand aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, althans een bijdrage als de rechtbank in goede justitie juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats [de minderjarige 1]
De ouders hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. [de minderjarige 1] verblijft op dit moment echter grotendeels bij de man en is een weekend in de veertien dagen bij de vrouw. De man verzoekt daarom de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] te wijzigen. De rechtbank ziet in de bezwaren van de vrouw geen aanleiding om het verzoek van de man af te wijzen. Gelet op de feitelijke situatie is het in het belang van [de minderjarige 1] om haar hoofdverblijfplaats bij de man te bepalen. [de minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter zelf ook aangegeven dat zij dit wil. Omdat [de minderjarige 1] 17 jaar oud is, vindt de rechtbank het belangrijk om rekening te houden met haar mening. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man toe.
Vakantieregeling
De ouders hebben de vakanties nu zo verdeeld dat in beginsel de reguliere zorgregeling gehandhaafd blijft. De rechtbank vindt dit niet langer in het belang van de kinderen, omdat het schema van gebroken weken niet praktisch is als een van de ouders met de kinderen met vakantie wil. De door de man voorgestelde vakantieregeling biedt die mogelijkheid wel.
De rechtbank zal conform het verzoek van de man het volgende beslissen:
Het is vervolgens aan de ouders om samen af te spreken hoe zij deze weken concreet gaan verdelen en wanneer zij eventueel met de kinderen op vakantie (naar het buitenland) gaan. Verder staat het de ouders vrij om in onderlig overleg over de feestdagen maatwerk afspraken te maken.
De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af.
Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
De ouders hebben in 2016 een ouderschapsplan opgesteld waarin onder meer afspraken staan over de alimentatie voor de kinderen.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke beslissing of een overeenkomst worden gewijzigd als sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Vaststaat dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat het inkomen van de man is gestegen. De rechtbank zal hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken in hoeverre deze wijziging van omstandigheden leidt tot een wijziging van de alimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat hoewel de vaststelling van kinderalimentatie van openbare orde is, in de onderhavige zaak volstrekt evident is dat de kinderen financieel niets tekort komen, en het, zoals ter zitting gebleken, vooral het belang van de vrouw is dat zij met geld van de man de kinderen (meer) ruimte zou willen kunnen geven voor hun ontwikkelingskeuzen. De rechtbank ziet hierin aanwijzing dat, anders dan zijdens de vrouw bepleit, de openbare orde geen afwijkende, meer indringende, beoordeling van de partijstellingen verlangt.
De rechtbank neemt overigens bij de berekening van de kinderalimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank zal eerst over de ingangsdatum beslissen. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de omstandigheden van dit geval redelijk is om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van deze beschikking. De rechtbank laat hierin meewegen dat [de minderjarige 1] reeds sinds de zomer 2024 meestentijds bij de man verblijft en hij de daarbij behorende kosten heeft gedragen.
Gelet op de ingangsdatum zal de rechtbank op basis van de draagkracht van de ouders in 2025 (2025-II) een berekening maken.
Nihilstelling bijdrage voor [de minderjarige 1]
Voor [de minderjarige 1] geldt dat zij voortaan haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. De rechtbank is van oordeel dat het door deze beslissing niet langer passend is dat de man vanaf heden nog kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] aan de vrouw betaalt. Daarom zal de rechtbank conform het verzoek van de man de kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking op nihil stellen.
Behoefte
De rechtbank overweegt dat stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven.
Tussen de ouders is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) overstijgt, zodat de behoefte van de kinderen nu aan de hand van het NBI van de man opnieuw moet worden vastgesteld. De ouders verschillen wel van mening over op basis van welk inkomen het NBI van de man moet worden berekend en hoe hoog vervolgens de (tabel)behoefte van de kinderen is.
De rechtbank zal hierna eerst beoordelen op basis van welk inkomen het NBI van de man moet worden berekend. Daarna zal de rechtbank ingaan op de vraag of de behoefte wordt gebaseerd op de tabel of dat de behoefte moet worden vastgesteld door de tabelnormen te extrapoleren.
De man is DGA van [bedrijfsnaam] B.V. Uit de aangifte IB 2024 blijkt dat zijn salaris in 2024
€ 201.225,- bruto bedroeg. De rechtbank gaat er vanuit dat de man in 2025 een vergelijkbaar salaris heeft.
Tussen partijen is in geschil of naast dit salaris ook rekening moet worden gehouden met dividenduitkeringen. De vrouw stelt dat de man, gelet op de uitkeringen in voorgaande jaren, gemiddeld € 367.000,- per jaar dividend aan zichzelf moet kunnen blijven uitkeren. De man heeft dit gemotiveerd betwist. Hij stelt met verwijzing naar de jaarrekeningen en de verklaring van zijn accountant dat de dividenduitkeringen uit het verleden niet representatief zijn voor het heden.
De rechtbank constateert dat de man in 2022 en 2023 grote bedragen aan dividend heeft uitgekeerd; € 718.000,- respectievelijk € 1.350.000,-. De rechtbank is van oordeel dat de man in het licht van de summiere stelling van de vrouw voldoende heeft toegelicht dat hij de uitgekeerde dividenden heeft aangewend om uit beleggingsoogpunt en pensioenvoorziening twee woningen aan te schaffen en om zijn schulden aan de vennootschap af te lossen. Desgevraagd heeft de vrouw hierop niet kunnen onderbouwen waarom toch van structurele mogelijkheden tot dergelijke uitkeringen zou moeten worden uitgegaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het NBI van de man berekenen enkel op basis van zijn DGA-salaris van € 201.225,- bruto per jaar. Bij het berekenen van het NBI worden volgens het Rapport alimentatienormen redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. De rechtbank zal daarom wel rekening houden met de door de man opgevoerde lijfrente reservering voor pensioen van € 6.500,- per jaar en de arbeidsongeschiktheidspremie van € 4.486,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 8.496,- per maand.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar op 28 oktober 2025 gewijzigde verzoek op de zitting gesteld dat de maximale tabelbehoefte niet passend is. De vrouw stelt met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 2015 dat gelet op het door haar gestelde hoge NBI van de man de behoefte geëxtrapoleerd € 9.030,- per maand bedraagt.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt. De stijging van het inkomen van de man heeft zich voorgedaan na de echtscheiding. Het enkele feit dat het NBI van de man nu hoger is dan het NBGI tijdens het huwelijk, acht de rechtbank onvoldoende motivering om af te wijken van de maximale tabelbehoefte. Immers, als reeds tijdens het huwelijk dit inkomen beschikbaar was geweest zou evenzeer het tabelmaximum als uitgangspunt hebben te gelden. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vrouw ligt om verder te onderbouwen welke omstandigheden maken dat de behoefte van de kinderen afwijkt van het maximale tabelbedrag. Zij heeft echter, behalve het hoge inkomen van de man, geen omstandigheden naar voren gebracht die dusdanig afwijken van de tabel rechtvaardigen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te extrapoleren en neemt het maximale tabelbedrag als uitgangspunt.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.845,- per maand. Dat is € 615,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] van € 615,- per kind per maand tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de gegevens uit de betaalspecificaties van het UWV van juli tot en met oktober 2025 en de betaalspecificatie januari 2025 van het ABP. De vrouw ontvangt een WIA-uitkering van
€ 2.915,59 bruto per maand (te vermeerderen met vakantiegeld) en een arbeidsongeschiktheidspensioen van € 5.749,80 bruto per jaar. Hiernaast heeft de vrouw sinds medio 2023 een eenmanszaak ( [eenmanszaak] ). Uit de aangifte IB 2024 blijkt echter dat de vrouw geen winst heeft behaald. De rechtbank zal daarom in deze berekening geen rekening houden met inkomsten uit de eenmanszaak. De rechtbank zal niet uitgaan van inkomen uit arbeid, nu onbestreden is dat de vrouw thans geen werkzaamheden meer verricht bij [onderwijsinstelling] , en evenmin een beroep op verdiencapaciteit is gedaan.
De man heeft erop gewezen dat sprake is van financiële verstrengeling tussen de vrouw en haar ex-partner met mogelijke invloed op de draagkracht van de vrouw. De rechtbank gaat voorbij aan deze onvoldoende concrete stellingen. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de twee woningen voldoende toegelicht dat de vrouw zelf in de ene woning woont en dat haar ex-partner in de andere woning woont. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met eventueel inkomen uit vermogen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.201,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].
De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 652,- per maand.
De rechtbank houdt in de berekening geen rekening met [de minderjarige 4] , omdat de vrouw heeft gesteld dat de vader van [de minderjarige 4] kinderalimentatie aan de vrouw betaalt waarmee volledig in de behoefte van [de minderjarige 4] wordt voorzien. Daarom neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de vrouw haar draagkracht beschikbaar heeft voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van
€ 201.225,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de aangifte IB 2024. De rechtbank houdt geen rekening met inkomen uit dividend.
De rechtbank houdt verder wel rekening met de lijfrente reservering voor pensioen van € 6.500,- per jaar en de arbeidsongeschiktheidspremie van € 4.486,- per jaar. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen over het inkomen van de man.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 8.496,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank gebruik voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].
De draagkracht van de man bedraagt dan € 3.246,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders samen is € 3.898,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank heeft een draagkrachtvergelijking gemaakt. Van de totale behoefte van de kinderen komt dan een gedeelte van € 512,- per kind per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 103,- per kind per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de zorgverdeling ten aanzien van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] geldt voor de bijdrage ten behoeve van hen een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 215,- per kind per maand (35% van € 615,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bedraagt dan (€ 1.024 - € 430 = )
€ 594,- per maand. Dat is € 297,- per kind per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande moet de man met ingang van heden een bijdrage betalen voor de [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] (aan de vrouw) van € 297,- per kind per maand. De rechtbank wijst wat meer of anders is verzocht over de kinderalimentatie af.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Opheffen kindrekening
De ouders zijn het erover eens dat zij de kindrekening zullen opheffen. De rechtbank gaat ervanuit dat de ouders dit in onderling overleg zullen regelen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 25 mei 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 30 juni 2016 – :
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op
[geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
*
bepaalt over de verdeling van de vakanties het volgende:
- zomervakantie: de kinderen zijn drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw;
- meivakantie: de kinderen zijn een week bij de man en een week bij de vrouw;
- herfstvakantie: de kinderen zijn volgens het reguliere schema bij de ouders;
- kerstvakantie: de kinderen zijn 1 week bij de man en 1 week bij de vrouw;
waarbij de ouders samen afspreken hoe zij deze weken concreet verdelen en het hen vrij staat om in onderling overleg over de feestdagen maatwerk afspraken te maken;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie voor de minderjarigen:
van € 297,- per kind per maand zal betalen;
*
bepaalt de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] met ingang van heden op nihil;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.