Voorlopige kinderalimentatie ex art. 223 Rv
Beschikking op het op 29 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Dreiling te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. den Hollander-Fischer te Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van de man van 3 november 2025;
- het F9-bericht van de man van 3 november 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vrouw van 6 november 2025, met bijlagen.
Op 13 november 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Namens de man zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw luidt, na wijziging, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie voorlopig op € 500,- per maand te bepalen,
althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2024 (in de procedure met zaaknummer C/09/651030 / FA RK 23-5220) is – voor zover hier aan de orde –:
een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot de week erop maandagochtend naar school bij de vader is;
is de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot een nadere zitting, in afwachting van een beschermingsonderzoek door de Raad;
- Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot 14 oktober 2025.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek in de bodemprocedure. In de bodemprocedure verzoekt de vrouw namelijk onder andere om te bepalen dat de man een bijdrage voor de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Spoedeisend belang
Vooropgesteld wordt dat voor vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure in het kader van artikel
223 Rv alleen plaats is, als naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
Volgens de vrouw is sprake van een spoedeisend belang. Zij draagt al geruime tijd alle kosten voor [minderjarige] alleen, terwijl zij beperkte inkomsten heeft. Er is daarmee een acute financiële noodzaak ontstaan. De man heeft het spoedeisend belang niet betwist, zodat de rechtbank dit zal aannemen.
Voorlopige kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (29 augustus 2025), omdat de man vanaf dat moment in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage voor [minderjarige].
Behoefte
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [minderjarige], moet eerst worden bepaald wat de kosten van [minderjarige] zijn (de behoefte). Geen van partijen heeft de behoefte van [minderjarige] berekend. De vrouw heeft enkel gesteld dat zij maandelijks een bedrag van € 500,- nodig heeft om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Bij gebrek aan verdere gegevens zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan, nu het door de man ook niet is betwist. De rechtbank geeft daarbij aan partijen mee dat zij zich in de bodemprocedure zullen moeten uitlaten over de berekening van de behoefte van [minderjarige], waarbij het moment van uiteengaan van de ouders – in dit geval in 2013 – het ijkmoment is.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het volgende. Door de man zijn geen gegevens overgelegd over zijn (recente) financiële situatie. Hij verwijst naar jaarstukken over de periode 2021-2023 uit een procedure ten aanzien van zijn andere kinderen, maar de rechtbank en de vrouw beschikken niet over deze stukken. Door de vrouw is in haar verzoekschrift enkel verwezen naar de winst die in deze jaarstukken is opgenomen, maar deze zijn bij gebrek aan de stukken niet te verifiëren. Cijfers over 2024 en (een prognose voor) 2025 ontbreken volledig.
De rechtbank wijst erop dat het op de weg van de ondernemer ligt om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie. Daar komt bij dat door de man een draagkracht-verweer is gevoerd, zodat het aan hem is aan te tonen dat er redenen zijn om van een lagere draagkracht uit te gaan. De man heeft dit nagelaten. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank daarom uitgaan van de laatst bekende jaarcijfers, namelijk die uit 2023. In dit jaar heeft de man een winst uit onderneming gemaakt van € 90.919,-. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat de man op de zitting weliswaar heeft aangegeven dat zijn bedrijf is geherstructureerd en minder grote opdrachten kan aannemen, maar ook dat hij nu minder loonkosten heeft en dat zijn onderneming weer beter loopt dan anderhalf jaar geleden.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstvrijstelling, heffingskortingen en bijdrage ZVW, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op
€ 4.952,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.952 – (1.486 + 1.310)] = € 1.509,- per maand.
De man heeft gesteld dat hij schulden heeft. Dit betreft onder andere een schuld bij de belastingdienst (vanwege achterstallige inkomstenbelasting, omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting), een huurachterstand, een betalingsachterstand bij de voormalige privéschool van [minderjarige] en een schuld bij de kinderopvang. Ten aanzien van de schuld bij de belastingdienst overweegt de rechtbank dat dit voor het overgrote deel inkomsten- en omzetbelasting is. Bij de berekening van de alimentatie wordt rekening gehouden met de huidige belastingdruk. Dat de man er in de afgelopen jaren voor heeft gekozen geen geld opzij te zetten om daarvan de aanslagen Btw, inkomstenbelasting en bijdrage Zvw te betalen en in plaats daarvan zijn bedrijfsresultaat heeft uitgegeven aan andere zaken komt geheel voor zijn eigen rekening en risico. Er zal daarom geen rekening worden gehouden met deze schuld. Met betrekking tot de overige aangevoerde schulden, geldt dat de man alleen ten aanzien van de schuld bij de privéschool de hoogte van de schuld en de maandelijkse aflossing (€ 600,-) heeft aangetoond. Voor de andere gestelde schulden is dat niet het geval. De rechtbank zal daarom bij de draagkracht alleen rekening houden met de aflossing op de schuld bij de privéschool.
Er resteert dan een draagkracht aan de zijde van de man van: 70% x [4.952 – (1.486 + 1.310 + 600)] = € 1.089,- per maand. De man heeft vier kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Omdat ten aanzien van zijn andere drie kinderen ook een alimentatieprocedure loopt en hierin nog geen behoefte of bijdrage is vastgesteld, zal de rechtbank de draagkracht van de man voor nu delen door vier, zodat voor [minderjarige] een draagkracht van € 272,- per maand beschikbaar is.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een Wajong-uitkering van € 1.685,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.974,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.925 en € 1.975 valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 79,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen. Deze draagkracht moet worden verdeeld tussen [minderjarige] en haar jong-meerderjarige zus Demi, zodat de moeder per kind een draagkracht van € 39,- per maand beschikbaar heeft.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 311,- per maand (€ 272 + € 39). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] van € 500,- per maand voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 189,- per maand.
Zorgkorting
Partijen hebben zich niet uitgelaten over de te hanteren zorgkorting. Omdat [minderjarige] conform de voorlopige zorgregeling de helft van de tijd bij de man verblijft, geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 175,- per maand.
Omdat sprake is van een tekort van € 189,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 80,- per maand (€ 175 -/- € 95).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan € 192,- per maand (€ 272 -/- € 80). De rechtbank zal dit bedrag als voorlopige kinderalimentatie vaststellen en het verzoek van de vrouw voor het overige afwijzen.
BeslissingDe rechtbank:
bepaalt ten aanzien van de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];
dat de man met ingang van 25 augustus 2025 aan de vrouw voorlopig een bijdrage aan kinderalimentatie zal voldoen van € 192,- per maand;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.